HOOFDSTUK 15

ROELOF BLOKZIJL


Inleiding


Blokzijl

Roelof Blokzijl, een van de leiders van de LO-Enschede


Dit hoofdstuk gaat over Roelof Blokzijl. (Voor de Engelse vertaling verwijs ik u naar de rechtermarge). Hij was één van de Enschedese leiders van de LO, de hulp aan onderduikers. Roelof kwam net als Johannes uit een gereformeerd gezin. Dat heeft zijn leven bepaald. Hij kon niet langs de zijlijn blijven staan toekijken, toen joodse landgenoten werden opgepakt en vermoord. Het bijzondere is dat hij tegelijk met Johannes ter Horst werd doodgeschoten.

De volgorde in dit hoofdstuk is een beetje van slag. Dat komt omdat ik begin met een verslag van een gesprek met de verzetsman Bertus Lassche door Gejo Alberts. Dat gesprek vond plaats op 8 juli 2003. Bertus is overleden op zaterdag 11 oktober 2008.

Bertus Lassche heeft met veel verzetsmensen in Enschede contact gehad. Iemand die bijzondere indruk op hem maakte was Roelof Blokzijl.

Wie was Roelof Blokzijl? Een antwoord op die vraag vindt u hieronder.

Verder informatie over de arrestatie en de dood van Roelof Blokzijl volgen verderop in dit hoofdstuk.

'Roelof Blokzijl gaf mij extra kracht'


BOEKELO - Bertus Lassche kreeg veel steun gefusilleerde verzetsman.

Een van de straatnamen in de nieuwbouwwijk de Bleekerij in Boekelo wordt vernoemd naar Roelof Blokzijl. Deze 56-jarige Enschedeër werd op 23 september 1944 samen met Johannes ter Horst in Usselo gefusilleerd.

Stadgenoot Bertus Lassche voelt zich schatplichtig aan deze relatief onbekende verzetsman. En licht daarom zijn doopceel. Hij heeft het er steeds moeilijker mee.

Bertus Lassche (85), geboren en getogen Enschedeër, werkt in 1943 op de administratie van de gasfabriek. In dat jaar wordt hij opgeroepen voor de arbeidsdienst. Hij weigert en duikt onder.

Vanuit het jongerenwerk van de Gereformeerde kerk kent hij Johannes ter Horst, die een leidende rol speelt in de illegaliteit. Ter Horst heeft menig spectaculaire overval op z'n naam staan zoals de overval op het Huis van Bewaring in Almelo.

Bertus Lassche vergezelt hem diverse keren en knapt ook tal van klussen op. Zo houdt hij Duitse peilauto's in de gaten en brengt piloten per trein weg. Risicovolle acties die wonder boven wonder goed aflopen.

Omdat hij is ondergedoken slaapt Bertus Lassche niet in z'n eigen bed maar elders in Enschede.

Als hij op 3 juli 1943 bij het krieken van de dag over de Kuipersdijk naar huis fietst heeft hij de pech dat een paar straten verderop, op de Haaksbergerstraat Pieter Kaay, een Amsterdamse politieman die op joden jaagt, wordt doodgeschoten. De daders, vermoedelijk lid van een Amsterdamse verzetsgroep, vluchten de Wooldriksweg in, richting Kuipersdijk.

Iemand die voor de Duitsers werkt, ziet Bertus Lassche en maakt later een optelsom: laatstgenoemde wordt enige tijd later als dader door de Duitsers gezocht.

"Toen ik daar achter kwam ben ik naar Deventer gegaan. Naar de woning van een dochter van onze buurvrouw. Ik lag daar nota bene met een hoge SD-er in een bed!

Toen ik in Deventer ook werd gezocht ben ik naar familie in Blokzijl en Sint Jansklooster gegaan. Het bijzondere was dat ik daar op een gegeven moment ben bezocht door Roelof Blokzijl. Het was voor mij een wildvreemde man. Hij kwam vragen wat ik eventueel nog nodig had om van te kunnen leven.

Blokzijl was, dat bleek later, iemand die vanuit zijn christelijke overtuiging onderduikers hielp. De man had een manufacturenwinkel in de Lipperkerkstraat. Hij was het hoofd van een groot gezin; ze hadden zes kinderen. Een ervan, dochter Martha, was koerier.

Ze is na de oorlog min of meer ontgoocheld naar Canada geëmigreerd. Mensen die in de oorlog voor de Duitsers hadden gewerkt en daar een leuk baantje hadden, dat waren degenen die tijdens herdenkingsdiensten op 5 mei de kerken vulden. Daar had Martha het moeilijk mee."

Bertus Lassche vertelt dat Roelof Blokzijl hem met enige regelmaat is blijven bezoeken. Dat gaf hem extra kracht in de onderduiktijd. Om die reden voelt hij zich moreel verplicht om het bestaan van zijn weldoener aan de vergetelheid te onttrekken.

Lassche merkt op dat Blokzijls zoon Jan de burgemeester op een nieuwjaarsreceptie wel eens heeft aangeschoten om hem te vragen een straat naar zijn vader te vernoemen. Hij kreeg nooit antwoord.

"Daarom heb ik m'n hele gewicht in de strijd gegooid toen ik hoorde dat de straatnaamcommissie zich met Boekelo bezig hield. Ik heb later bij de accountantsdienst van de gemeente gewerkt, ik weet wel hoe dat werkt", zegt hij met een knipoog.

"Roelof Blokzijl," gaat de dankbare oud-verzetsman verder, "was geen man die bloed aan z'n handen had. Hij heeft nooit geweld gebruikt." Als hoofd van de LO Gelderland en Overijssel was Blokzijl verantwoordelijk voor het verkrijgen van geld, bonkaarten en identiteitskaarten om het leven van onderduikers te verlichten.

"Dat alles geschiedde vanuit zijn christelijke plicht. Jammer genoeg is hij door verraad in handen van de Sicherheitsdienst gevallen.Wie daarvoor verantwoordelijk is, is mij niet bekend. Hij werd samen met Johannes ter Horst gefusilleerd, op 23 september 1944 langs de Haaksbergerstraat, ter hoogte van de plek waar nu het crematorium staat. De lichamen, zo heb ik naderhand begrepen, waren flink toegetakeld. Beide mannen moeten erg zijn mishandeld. Maar Roelof Blokzijl is niet doorgeslagen, hij heeft niet gepraat. Anders was ik ongetwijfeld op mijn onderduikadres ook opgepakt. Hij was 56 jaar toen de dodelijke schoten klonken. Het trieste is dat zijn weduwe niet lang daarna is overleden. Ze verongelukte op de Oliemolensingel."


Bertus Lassche voegt er aan toe dat hij de laatste tijd heel onrustig slaapt. Zelfs nachtmerries heeft die een link hebben met zijn oorlogsverleden. Dat er nu een straat naar Roelof Blokzijl is genoemd, is pure balsem voor zijn gepijnigde ziel.

"Naar Johannes ter Horst is al lang geleden een straat in Enschede genoemd. Dat de straat van Blokzijl in Boekelo ligt is prima, dat maakt me niet uit. Een ding over de oorlog wil ik nog graag kwijt. Het is jammer dat de gevallen verzetsmensen en andere Enschedeërs die zijn omgekomen niet op 1 april door de gemeente worden herdacht. Dat is per slot van rekening de dag dat de stad werd bevrijd. Op 5 mei eer je mensen die je niet kent."

 

In Boekelo ligt nu een fraaie straat genoemd naar Roelof Blokzijl: de Roelof Blokzijlstraat (7548 EJ Enschede). Ze ligt in de nieuwbouwwijk De Bleekerij. Vroeger lag daar een stoomblekerij. Als in Google intikt: 'boekelo roelof blokzijlstraat' kom je huizen tegen in de Roelof Blokzijlstraat.

Arrestatie Blokzijl


Op zaterdag 23 september te omstreeks 07.00 uur, wordt het huis van Blokzijl, aan de Lipperkerkstraat 265 te Enschede, door een SD-kommando onder leiding van Karl Schöber omsingeld en wordt de 56 jarige manufacturier Roelof Blokzijl, bijgenaamd "Max" gearresteerd. Hierna wordt hij naar de Dienststelle van de SD, aan de Tromplaan 8 te Enschede, overgebracht. Twee huisgenoten worden eveneens gearresteerd en naar het politiebureau gebracht.

Blokzijl, die in de loop der tijd een steeds belangrijkere rol in de onderduikersorganisatie vervulde en in de zomer 1944, samen met Wieger Mink, leider werd van deze organisatie, moest in die zomer noodgedwongen onderduiken.

Dit duurde tot Dolle Dinsdag, 5 september 1944. Hij kreeg het gevoel dat de bevrijding niet lang meer uit kon blijven, daarom besloot hij niet langer onder te duiken, maar gewoon weer naar zijn woning aan de Lipperkerkstraat in Enschede te gaan. Door deze beslissing nam zijn leven een beslissende wending.

In een eerste verhoor dat Schöber doet, vraagt hij aan Blokzijl of hij een zekere Johannes ter Horst kent.
Blokzijl: "Ter Horst? Ik ken geen Ter Horst"
Schöber: "Wat heb jij te maken met knokploegen en onderduikers?"
Blokzijl: "Ik weet niet waar u het over heeft. Ik heb niets met zoiets te maken!"
Schöber: "Maar in een notitieboekje, dat u bij zich had, staat toch wel iets over een betaling naar de KP. Wat is dat dan?"
Blokzijl: "Ik weet niet waar u het over heeft".

Het doodsoordeel


Schöber gaat vervolgens persoonlijk naar Ter Horst en Blokzijl en zegt hun aan dat ze nog dezelfde avond gefusilleerd zullen worden.

Johannes reageert gelaten. Hij heeft er al rekening mee gehouden dat zijn leven teneinde is, wanneer hij niet bevrijd zal worden. Blokzijl, die er nog niet vanuit is gegaan dat hij zijn arrestatie met zijn leven moet bekopen, zegt tegen Schöber:
"Mijn God, dat doen jullie Duitsers toch niet?

Aan hen die vallen


In het Geuzenliedboek staan ontroerende gedichten met groot inlevingsvermogen voor de verzetsstrijders die een dood door executie te wachten staat.

Ook ontroerende gebeden. Daarvan is Aan hen die vallen een goed voorbeeld.

Ik heb dit vers ook opgenomen in het hoofdstuk over de dood van Johannes. Het is zeker op hen beiden van toepassing. Beiden verwachtten hun redding van hun Heiland en Koning Christus.

Hoe zullen ze elkaar getroost hebben onderweg naar de executieplaats? Alleen God weet het.

Aan hen die vallen


Blijf bij hen, Heer, haast daalt de donk're nacht;
diep wordt het duister, wees hun trouwe wacht,
als - machteloos - vrienden wijken ver van hen;
O Gij, die helpen kunt, blijf hun nabij.

Snel ebt hun jonge leven naar den dood;
vreugde gaat onder - kil in 't avondrood;
verderf en ondergang staan aan hun zij;
Gij, Onverganklijke, blijf hun nabij!

Heer, draag hen door Uw tegenwoordigheid!
Uw arm verwinn' den Booze in den strijd;
Wie is een Gids, een Helper, Heer als Gij?
Gij blijft dezelfde Heer, blijf hun nabij.

Geen vijand duchten zij, door Uwe kracht.
Gij droogt hun tranen, stilt hun bitt're klacht.
Waar is, o dood, uw prikkel, waar uw eer?
Meer dan verwinnaar zijn zij in den Heer.

Houdt Gij Uw kruis hoog voor hun brekend oog,
een lichtend teeken, wijzend naar omhoog.
Schaduwen vliên; Gods eeuwig licht daagt blij;
In sterven, stervensnood, blijf hun nabij.

2 October 1943

Johannes ter Horst en Roelof Blokzijl gefusilleerd


Het is 22.00 uur. Schöber en Becker halen Roelof Blokzijl en Johannes ter Horst uit hun cel.
"Het is tijd. Jullie weten wel wat er te gebeuren staat!", zegt Schöber.
Inderdaad begrijpen beiden dat ze nog maar kort te leven hebben. Het enige dat hun nog kan steunen is hun gezamenlijke God. Zij doen een gebed en zwijgzaam rijdt de auto, vanaf het gebouw van de SD, via de Haaksbergerstraat, buitenwaarts. Bij de tweede duiker, komende vanuit de stad wordt gestopt.

Johannes kent deze plaats. Hij en zijn KP ploeg hadden geprobeerd deze duiker op te blazen, om zo de Duitsers het transport van en naar Enschede te bemoeilijken. Deze sabotageactie was slechts ten dele gelukt.

Johannes en Roelof moeten uitstappen en in de berm naast elkaar gaan staan. Vervolgens halen Becker en Schöber hun pistolen tevoorschijn en richten die op beide mannen. Er valt niet veel meer te zeggen.

In een flits gaan hun gedachten terug naar hun geliefden. Er is geen hoop meer op redding. Het is op deze aarde nu voorbij. Ze gaan nu naar hun Heiland.

Zowel Johannes als Roelof worden ter plaatse doodgeschoten.

De lichamen worden gevonden


Het is zondag, de 24e september, te 09.00 uur, wanneer Lambertus Borske, wonende aan de Spoordijkstraat 80 in Enschede, bij de politie kennis geeft, dat nabij genoemde duiker, twee lijken aan de weg liggen. Vermoedelijk Nederlanders.

De wachtcommandant geeft bericht aan hoofdinspecteur Van de Wal. Deze geeft opdracht dat de rechercheurs Van Veen en Van Gendt ter plaatse gaan. Ook de Kapitein Korpschef Berends krijgt bericht. Deze zal er persoonlijk heengaan.

Te omstreeks 09.30 uur, komt de politie ter plaatse. Onder hen is ook de Korpschef Berends. De NSB politiecommandant neemt contact op met de SD te Enschede, om te vragen of zij meer weten van deze lijken. Berends krijgt te horen dat het hier gaat om twee terroristen die door de SD zijn doodgeschoten. Onder andere omdat zij de duiker, waarop zij liggen, gepoogd hadden op te blazen. Tevens krijgt Berends de namen van deze twee lijken. Roelof Blokzijl, geboren te Ambt Hardenberg, 13 juli 1888, winkelier in manufacturen, wonende Lipperkerkstraat 265 te Enschede en Johannes ter Horst, geboren te Enschede, 1 april 1913, grenscommies, wonende Bloemendaalstraat 36 te Enschede.

Na dit gehoord te hebben, doet Berends geen verder onderzoek meer en laat de lijken naar het mortuarium van het ziekenhuis brengen. Het wordt door de SD verboden om de lijken te tonen aan familie of andere personen. Temeer omdat Johannes uiterlijke tekenen van zware mishandeling vertoont.

Voor de vermelding in het dagrapport, krijgt de wachtcommandant van politie om 11.30 uur, van de kapitein Korpschef nog de volgende informatie door:
"Beiden zijn ter plaatse van vinding "standrechtelijk berecht". De lijken zijn vrijgegeven en naar Ziekenzorg overgebracht. Slothouder heeft de families in kennis gesteld. De meldingen zijn verricht door de telexiste"

Uit het bovengenoemde kan worden opgemaakt dat Korpschef Berends over dit voorval contact heeft gehad met de Sicherheitsdienst, die hem in kennis heeft gesteld van het gebeurde. Berends spreekt namelijk niet over een "moord" maar over een "berechting". Hij laat ook geen sporenonderzoek naar "daders" doen. De lijken worden direct vrijgegeven en naar het ziekenhuis overgebracht. Daarmee is de zaak voor hem kennelijk afgesloten.

Verhoor van Adolf Becker die Blokzijl doodschoot


Inleiding

In april 1948 dient voor de bijzondere rechtbank voor oorlogsmidadigers de zaak Schöber. Schöber was de chef van de Sicherheitsdienst te Enschede. Zijn ondercommandant was Adolf Becker. Beiden hebben Johannes en Roelof verhoord en gefusilleerd.

In het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging zaak Schöber (Cabr Schöber) staat een verslag van het verhoor van Becker als getuige. Dat verslag is om meer dan één reden interessant. Het geeft de visie van een SD'er op de gang van zaken rond de arrestatie en dood van Johannes en Roelof.

Tegelijk laat het zien hoe onwaarschijnlijk de verklaring van Becker is. Johannes wordt hierin voorgesteld als de verrader van zijn maten. Als er één ding voor mij vaststaat is, dat Johannes nooit ende nimmer zijn vrienden zou verraden, al zouden ze hem nog erger germarteld hebben dat ze nu hebben gedaan.

Voor mij het is verhaal van Becker één en al verdoezeling van de martelingen waaraan ze in ieder geval Johannes hebben blootgesteld. Voor mij is het ondenkbaar dat Johannes met tien schriftelijke mededelingen voor het hoofdkwartier van de KP op zak heeft gelopen?

Ik neem het stuk van Becker op volledigheidshalve. Met daarbij de verklaring van Minie ter Horst- Schreurs, de weduwe van Johannes en van Martha Visscher-Blokzijl, de oudste dochter van Roelof. (In hoofdstuk 20 staan bij Johannes dezelfde verhoorverslagen).

Verhoorverslag van Adolf Becker, Kriminal-assistent


"Op 22 september 1944 werd mij op de Dienststelle te Almelo door een Sturmscharführer het volgende meegedeeld: In de loop van de dag was in de buurt van hun Dienststelle door de Feldgendarmerie een motorrijder aangehouden.

Bij de vordering zich te legitimeren had de motorrijder een vuurwapen getrokken en nadat hij op de beambte der Feldgendarmerie had geschoten, had hij getracht te vluchten. Dit was door een post van de Sicherheitspolizei te Almelo, die belast was met de bewaking van de dienstgebouwen, opgemerkt en deze had toen op de motorrijder geschoten.

De motorrijder kreeg een schot door zijn dijbeen en werd gearresteerd en naar de Dienststelle der Sicherheitspolizei te Almelo overgebracht. Daar werd bij fouillering een vuurwapen op hem gevonden, een vervalst persoonsbewijs en een tiental, met de schrjfmachine getypte korte mededelingen, die gericht waren aan het hoofdkwartier van de KP.

Toen wij te Almelo aankwamen was de motorrijder reeds verhoord. Dit bleek een zekere Johannes ter Horst te zijn, woonachtig te Enschede. Ter Horst had bij zijn verhoor bekend dat hij illegaal werkzaam was en dat hij, toen hij gearresteerd werd, op weg was naar een zekere Evert in Nijverdal, om deze de bij de fouillering op hem gevonden mededelingen te brengen. Deze mededelingen had Ter Horst gekregen van een zekere Blokzijl uit Enschede.

Daarop werd een commando uitgezonden onder leiding van verdachte (Schöber) om Blokzijl te arresteren. Dit geschiedde. Blokzijl ontkende Ter Horst te kennen en ontkende ook illegaal werkzaam te zijn. Verder beweerde hij niets van de mededelingen van het KP - hoofdkwartier te weten.

Bij fouillering was echter een notitieboekje op Blokzijl aangetroffen waarin verschillende aantekeningen voorkwamen, o.a. de uitgifte van een geldbedrag voor de KP. Hiervoor gaf Bokzijl een ontwijkende verklaring. Verdachte (Schöber) heeft een Sanitater der weermacht laten komen om de schotwond van Ter Horst te verbinden. Daarna zijn verdachte Schöber en ik begonnen met het verhoor van Ter Horst en zijn confrontatie met Blokzijl.

Ter Horst bleef bij zijn verklaringen die hij reeds in Almelo had afgelegd, namelijk dat hij illegaal werkzaam was, tot de KP behoorde, en van Blokzijl de op hem gevonden papieren en het vuurwapen had ontvangen. Ook verklaarde Ter Horst dat door de KP waartoe hij behoorde, een duiker in de weg van Enschede naar Haaksbergen (bij Usselo) was op geblazen. Blokzijl is daarom opnieuw gehoord en ontkende al deze feiten.

Hierna heeft verdachte (Schöber) zich telefonisch met Thomsen in Arnhem in verbinding gesteld en hem omtrent deze zaak ingelicht. Na afloop van dt telefoongesprek deelde verdachte (Schöber) mij mede dat de chef Thomsen opdracht had gegeven Ter Horst en Blokzijl nog in de loop dan diezelfde dag Zaterdag 23 september 1944 op de plaats waar door hun groep sabotage was gepleegd, te fusilleren.

Als plaats waar deze fusillering zou plaats vinden werd door verdachte bepaald meergenoemde duiker in de weg Enschede-Haaksbergen, waarop ook inderdaad een aanslag was gepleegd.

Ingevolge de opdracht van Thomsen zijn we diezelfde avond in twee auto's van onze Dienststelle vertrokken. Wij zijn vervolgens gereden naar de weg Enschede-Haaksbergen en ongeveer 20 meter voor genoemde duiker werd gestopt. Daar zijn Ter Horst en Blokzijl uit de auto gestapt en door verdachte (Schöber) en mij meegenomen naar deze duiker. Daar zijn Ter Horst en Blokzijl ter rechter zijde van de weg opgesteld. Verdachte (Schöber) heeft hen toen meegedeeld dat hij bevel had hen te fusilleren en de reden waarom zulks zou geschieden.

Vervolgens nam verdachte (Schöber) plaats tegenover Ter Horst en ik tegenover Blokzijl. Vervolgens hebben verdachte (Schöber) en ik met onze dienstpistolen op de tegenover ons staande arrestant drie of vier schoten afgevuurd.

Ter Horst was reeds gevallen toen Blokzijl nog niet getroffen was. Nadat ik drie of vier schoten op Blokzijl had afgevuurd, stortte ook deze neer.

Wij zijn nog even ter plaatse gebleven en nadat verdachte (Schöber) zich overtuigd had dat hij Ter Horst en Blokzijl de dood was ongereden, zijn wij naar de auto's teruggekeerd en naar Enschede teruggereden.

Verdachte (Schöber) heeft vervolgens de Nederlandse politie meegedeeld dat Ter Horst en Blokzijl gefusilleerd waren, waarom dit gechied was, waar de lijken lagen en dat zij waren vrijgegeven."

Aldus de verklaring van Adolf Becker als getuige bij de zaak Schöber, zijn chef bij de SD-Enschede.

Vervolgens verklaart Johannes Gerhardus Huls te Arnhem:

"Omstreeks Juni 1944 ben ik als Polizeihilfe in dienst getreden bij de Sicherheitspolizei te Enschede. In het laatst van September heb ik met Becker en Mensink en nog enige andere beambten een inval gedaan in de woning van een zekere Blokzijl aan de Lipperkerkstraat te Enschede. Blokzijl werd verdacht van illegaal werk.

Diezelfde avond zijn Blokzijl en een zekere Ter Horst door mij, verdachte (Schöber) en enige anderen in twee auto's naar de Haaksbergerstraat te Enschede gebracht naar een plaats waar daags tevoren een duiker die onder de straatweg doorliep door de illegaliteit was opgeblazen. Ik en een ander zijn in de auto's achtergebleven, terwijl de overige beambten met de twee arrestanten zijn uitgestapt en zich hiermede verwijderden. Enige ogenblikken later hoorde ik enige schoten en ik begreep toen wel dat Ter Horst en Blokzijl waren gefusilleerd.

Verhoorverslag van Hermina Schreurs, weduwe van J. ter Horst op 20 april 1948


"Mijn man, Johannes ter Horst, geboren te Enschede 1 April 1913, was leider van de KP in het gewest Enschede. Het hoofdkwartier van de KP was gevestigd in huize Lidwina te Zenderen. Op Vrijdag 22 september 1944 heeft mijn man des middags per motorrijwiel het hoofdkwartier verlaten.

Enige tijd na het vertek van mijn man kregen wij op het hoofdkwartier bericht dat hij door de Feldgendarmerie te Almelo was gearresteerd. Eerst had hij nog kans gezien om, na een bewaker te hebben neergeschoten, te vluchten.

Maandag 25 september 1944 kreeg ik via de illegaliteit bericht dat mijn man op 24 september 1944 aan de Haaksbergerstraat te Enschede samen met een zekere Blokzijl gevonden was en dat beiden waren gefusilleerd."

Verhoorverslag van Margje Johanna Blokzijl, echtgenote W. Visscher op 20 april 1948


"Mijn vader, Roelof Blokzijl, geboren te Ambt-Hardenberg 13 juli 1888, was tijdens de bezetting illegaal werkzaam en woonde toen aan de Lipperkerkstraat 265 te Enschede.

Op Zaterdag 23 september 1944 des morgens te omstreeks 8 uur kwamen een vijf à zestal beambten der Sicherheitspolizei te Enschede aan de woning van mijn vader, bij wie ik toen inwoonde. Mijn vader werd geboeid en overgebracht naar de Diensstelle der Sicherheitspolizei te Enschede.

Ik ben de volgende dag naar het politiebureau gegaan. Mij werd daar medegedeeld dat die morgen mijn vader tesamen met een zekere Ter Horst doodgeschoten was gevonden te Enschede."

Uitleiding van de verhoorverslagen


Ondanks de leugenachtigheid bevat de verklaring van de SD'er Becker indrukwekkende momenten. Vooral als je zijn verslag leest van de executie. Zo zal het gegaan zijn.

De beide verklaringen van Minie en Martha, bijna vier jaren na dato, moet bij hen weer veel verdriet naar boven gebracht hebben. Verschrikkelijk wat er allemaal gebeurd is in die droevige septemberdagen uit 1944. (Dick Kaajan stuurde me de uitdraai uit het CABR, waarvoor dank).

Verslag van Martha Visscher-Blokzijl


In 1979 schreef Martha Visscher-Blokzijl, de oudste dochter van Roelof, het volgende aangrijpende verslag. Het begint op zondagmorgen 24 september. Ze wist toen nog niet dat haar vader die nacht was doodgeschoten.

"De andere morgen (zondag) lopend uit de kerk, zeg ik tegen moe: "Ik wil uitvinden waar ze zijn, als ze niet in Enschede zijn, dan ga ik naar Almelo enz tot ik weet waar ze zijn en dan moet de KP zien, dat ze hem verlossen kunnen.

"Enfin, we komen thuis en daar is mijn schoonvader en die reageert: "Dan ga ik met je mee".


En zo zijn we naar het bureau in Enschede gegaan. Daar moesten we binnenkomen en gaan zitten en toen zei de agent tegen mij: "Je man is hier, maar je vader is hier niet geweest, die is dood".


Ik zeg: "Dan hebben ze hem doodgemaakt, want gisteren was hij okay". "Ja ", zegt hij, "maar het was zijn eigen schuld, dan had hij de jongens maar geen opdracht moeten geven om bruggen enz. op te blazen".


Omdat wij als gezin over heel de stad verspreid werden, komt ongeveer drie maanden later oom Herman bij de SD vragen, of we ons huis weer kunnen krijgen. (Hij deed dit op eigen houtje).


Hij sprak met Becker, het toenmalige hoofd van de SD en die vertelde hem, dat ze niets uit pappa hadden kunnen krjgen, maar dat ze de hele dag hadden moeten luisteren naar zijn geloof en zijn geloofsovertuiging en dat vertelde me na de oorlog ook die NSB'er Mensink, die de leiding had met nog een mof bij de overval op ons huis.


Mensink vertelde:"Ik ben nl. bij hem in de cel geweest om hem te ontmaskeren. Hij wilde zich eerst niet bekend maken, maar ik wist wie hij was.


Ik zei toen nog tegen hem: "Jij krijgt de doodstraf ook, ik hoop dat je je nog bekeert".


Hij zegt: "Daar heb je niets mee te maken", aldus de NSB'er.


Zo hebben we veel meegemaakt en alles komt weer boven. Eén ding wil ik je nog schrijven, dat is hoe moe onder alles was.


Op een keer kwamen we thuis van Arnhem, pappa en ik (omdat ik koerierde). Daar was een topvergadering geweest.


En toen zegt pappa onderweg: "We moeten er maar mee ophouden, twee uit één gezin, als er eens wat gebeurt....En het wordt teveel voor moe".


Toen pappa 's avonds thuis kwam, zat moe als gewoonlijk op de stoep te wachten. Dus pappa zei haar, wat we besloten hadden.


Maar ze zegt: "Nee, dat mag niet, je hebt het zelf net gezocht, de Heere heeft dit op je weg geplaatst en het werk moet doorgaan".


Uit dit antwoord komt weer eens duidelijk naar voren uit welke motieven door Blokzijl en zijn LO-mannen werd gewerkt. Hoe hun geloof in Gods roeping om de naasten te helpen voorop stond. Dat was belangrijker dan hun eigen leven.

DE OORLOG IN BEELD: HOE ERG HET WAS!
jood aan het kruis

Ecce Homo...!


Ecce Homo, zie de Mens. Een aangrijpende tekening, tegelijk gruwelijk. Beseften de christelijke Duitsers niet dat Jezus ook een Jood was?

Voor Joodse onderduikers en ook voor landgenoten hebben Roelof Blokzijl en zijn medestrijders hun leven over gehad. Wij gedenken hun daden van naastenliefde met dankbaarheid.

Wilt u naar het volgende hoofdstuk 16: Klik dan op Dries Nijenhuis

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar



 Enschede in 40-45

beheer