Onze strijd in de bezettingstijd van Amersfoort en omstreken Deel 6

 

Nu begrijp ik iets. Er is een kans voor die gevangenen. Komt er een of­fensief en is alles geblokkeerd, waar moeten de Duitsers dan met de gevange­nen heen? Ontsnappingskansen zijn er dan legio, vooral in de algemene ver­warring. En worden ze vannacht nog afgevoerd, wie weet hoe lang ze dan nog de martelingen van de beestmensen moeten ondergaan. We popelen om weg te komen, stel je voor dat de trein vertrekt en wij te laat zijn...

            Maar discipline gaat voor alles. Een uur na de eerste groep mag de tweede pas vertrekken. Maar als dat uur verstreken is, verprutsen we geen se­conde meer. De tas met trottyl, slagkoord, slagpijpjes, tijdpotloden, misthoorns en isolatieband; al onze benodigdheden voor de reis zijn klaar.

            Weldra lopen we door de drassige weilanden. We nemen de ongebaande wegen, waar je minder kans hebt iemand te ontmoeten. We halen natte voeten met slootje springen, scheuren onze kleren als het prikkeldraad de weg ver­spert, maar niets houdt ons tegen, voorwaarts, de lijn moet de lucht in. Soms menen we in het donker de gestalte van een mof te zien, maar meestal is het een struik of een paal, en ik lach even als ik denk aan die avond, waarop onze sabotagecommandant een paal sommeerde zich over te geven. Dan zie ik, ta­melijk onverwacht, de spoorlijn opdoemen.

 

            Nu extra opgelet. We liggen plat op de grond en luisteren. In de naaste omgeving is het stil. Verderop horen we de Duitse voertuigen over de grote weg dend­eren, die niet meer dan vierhonderd meter van ons verwijderd is. Com­mando's die boven het geratel van de voertuigen proberen uit te klinken, doen de Duitse schreeuwers alle eer aan: in het brullen zijn zij iedereen de baas. Ver­der is er geen geluid, dat ons verontrust. Maar opletten blijft de boodschap. Als de lijnwacht passeert, mag niets onze aanwezigheid verraden, anders wordt het een vuurgevecht en iets dergelijks moeten we vermijden, zeggen onze instruc­ties.

            Nu is het eerst even wachten. Horen we de explosie, die onze vrienden van de eerste ploeg veroorzaken, dan kunnen we een kwartier na de explosie bij hen zijn. Zijn ze er niet, dan mogen we niet op hen wachten, dan moeten wij aan het werk.  Zo is de afspraak en we wachten... Wachten in zulke omstandig­heden is zenuwslopend. Je hoopt en bidt dat alles goed mag gaan. Je probeert aan wat anders te denken, dan aan wat je gedachten beheerst. Het wil niet. Je kunt niet roken, je mag niet praten, je moet maar wachten...wachten...

 

            En dan: de vuurstoten van een stengun bewijzen dat onze vrienden ginds aan de weg al slaags geraakt zijn. Nog een salvo en dan horen we niets meer...

            Wat is er precies gebeurd? We weten het niet, maar het maakt de span­ning groter. Wel weten we, dat het oversteken van de weg geen kinderspel is.

            Het volgende ogenblik davert er een trein langs ons heen. We liggen te springen van ongeduld.  Stel je voor, dat het de gevangenistrein is. Gelukkig is het dat niet, het spijt ons toch, want die trein had beter de rails uit kunnen lo­pen. Dan komt plotseling datgene waarop we gewacht hadden. Aan de andere kant achter de bossen schiet een flikkerlicht op. En de daverende explosie kort daarop vertelt ons, dat onze vrienden goed werk gedaan hebben. Maar na het kwartiertje wachten zijn ze er nog niet. Het oversteken van de weg vordert hen te veel tijd. Volgens afspraak mogen we nu niet langer wachten. We gaan aan het werk. Ik kruip met mijn sabotage-genoot naar de rails, de twee andere vrienden betrekken de vracht. Ons werk begint.

 

            Tussen de koude ijzers, die op deze plaats al ongeveer zes keer opgebla­zen zijn, zoeken we naar de lassen. Ik open de tas met sabota-gemateriaal en dan... Stemmen, stemmen van Duitsers. Komen ze langs de lijn? Het lijkt er veel op. Onze handen grijpen het wapen, de vingers rusten bij de trekker. Nu kalm en helder blijven. Maar je hersenen werken als machines. Gek, dat je op zo'n moment aan alles denkt, ja zelfs voor alles oog hebt. Je denkt aan je thuis, je vraagt je af, wat de afloop van dit alles zal zijn, je ziet de harde glimmende rails in het donker verglijden. Je ziet de betonnen zuilen van het electrisch net zo hoog oprijzen, dat ze wel in de lucht lijken te verdwijnen. Ondanks deze ge­dachten ben je geen ogenblik onoplettend. De stemmen naderen, stilte...

            Dan hoor ik een ander geluid. Het rammelen van een fiets. Ik slaak een zucht van verlichting. Ditmaal geen lijnwacht, zoals het ons op vroegere kar­weitjes meermalen voorkwam. Het is een aantal Duitsers, dat fietst over het fietspad dat ongeveer twintig meter van de spoorlijn loopt. We werken verder.

 

            De uiteinden van de lading die de vier rails ondermijnen, worden voor­zien van een tijdpotlood en een misthoorn. Dat tijdpotlood brengt de lading na een half uur tot ontploffing. Zo hebben onze vrienden aan de andere lijn het ge­daan.

            De misthoorn wordt op de rails gedrukt. Rijdt de trein er overheen, dan brengt dit de lading tot ontsteking. Dit laatste is, zoals te begrijpen valt, het mooiste. Het kan de locomotief doen kantelen, wat echter met een kleine lading niet altijd gebeurt.

            Een beetje gemeen is het wel, want de machinist schrikt er zo van, maar vooruit, een locomotief scheef naast de rails en wat wagons als harmonika's in elkaar is een ruime vergoeding voor die schrik. Het wil, vanavond. Nauwelijks hebben we de spoorbaan verlaten of we horen een trein aankomen. We hollen wat we kunnen en als we het eerste lange weiland door zijn staan we stil en ge­nieten het volgend ogenblik van een ongewoon schouwspel. Een bliksemflits schiet onder de trein door, een ogenblik hoor je nog niets, maar dan davert er een geweldige explosie, die secondenlang nog te horen is vanwege de echo.

            Dan botst en rommelt het bij de locomotief als of een onzichtbare hand de trein een poosje met schokken verder trekt. Angstig gilt de fluit van de loco­motief en dan is het stil. We gaan verder, dubbel oplettend voor de posten, die gealarmeerd zijn. We zijn dankbaar, want beide lijnen zijn nu geblokkeerd.

Toch denken we met zorg aan onze vrienden, die het nu dubbel moeilijk

zullen hebben om thuis te komen.

Maar evenals wij zijn ze thuisgekomen. Wel een uur later, maar zonder onge­lukken. Toen ze op de terugweg bij de weg kwamen, hoorden ze: "Halt, stehen bleiben". Maar wie veronderstelt, dat een Hollandse jongen het bevel van een Duitser opvolgt, vergist zich. Daarbij dachten ze aan hun instructies. Snel en geruisloos trekken ze zich terug. Een kogel fluit over hun hoofd. Zich ter aarde werpen is het werk van een ogenblik. Een paar salvo's met de stengun zijn vol­doende om de moffen ontzag in te boezemen.

            Dat was het geweest, wat wij gehoord hadden. Van de zijde der Duitsers was geen schot meer gelost. En ze hadden geen zin de bewapende jongens het bos in te volgen. Dat doen ze alleen als ze tijdens de razzia's met weerloze mannen te doen hebben.

            Het was voor hen niet makkelijk geweest om de weg over te komen. Toen ze het deden, lieten ze als souvenir wat bandenbommen achter, die met luide knallen verwarring stichtten onder de Duitse colonnes.

 

            Voor ze thuis waren, kwam er echter nog een waardig slot aan deze avond. De spoorlijn, die ze opgeblazen hadden, was die nacht niet te gebruiken. Er was echter geen Duitser, die van de versperring wist. De explosie, die door het tijdpotlood was veroorzaakt, was wel gehoord, maar aandacht was er niet aan geschonken. Dit was niet zo verwonderlijk, want in die tijd vonden er wel meer explosies plaats. Meestal was dit het werk van de moffen zelf. Toen er dan ook een trein in die richting vertrok, was er geen mof, die dit verwonderlijk vond. Maar onze vrienden konden hun oren niet geloven van verbazing.

            Waar moest dat heen? Alles was immers versperd. Plots begrepen ze het. Van hun sabotagedaad wisten de Duitsers niets. Wat hebben ze zich ver­kneuterd, ze hoorden de trein zijn ongeluk tegemoet gaan. Steeds groter werd de snelheid. Net als de trein buiten de stad goed op gang kon zijn, zou het ge­beuren. En ja hoor, daar kwam het. Het zelfde gerammel en gebots, dat ze die avond al een keer eerder hadden gehoord, hoorden ze nu weer. Dat was een tweede harmonika-trein. In die stemming kwamen ze thuis.

 

 

            Het is nu 17 april. Het offensief waar we op gehoopt hadden is niet ge­komen. Is dan voor de gevangenen alles tevergeefs geweest? Gelukkig niet.

            Buiten de stad staat de gevangenentrein. Gisteravond kon hij niet ver­der. Achter de gederailleerde trein moest hij wachten blijven. En ze wachten nog. Als de lijn vanavond nog klaar komt, gaat het verder.

            Om de trein lopen dapper landwachters. Ze moeten het publiek bij de trein vandaan houden. Tevens moeten ze elke vluchtpoging van de gevangenen beletten. Dat is een moeilijke taak. Uit de mensenrij dringt een verpleegster naar voren. "Wat mot je, juffrouw?" vraagt een landwachter haar. "Ik heb hier toegang meneer,  ik wil met uw permissie wat eten geven". "Ze hebben niks nodig, juffrouw, eten genoeg voor ze". De verpleegster is niet gauw uit het veld geslagen. Ze gooit het over een andere boeg. "Is het lastig werk, dat bewaken,

meneer?" Argwanend kijkt hij haar aan, maar het verpleegstertje ziet er on­schuldig uit. Hij is enigszins gevleid door zoveel interesse.

"Ja, ik hoop dat de trein maar weer gauw vertrekt". "Is er dan iets niet in orde, meneer?" "Ach, die vervloekte terroristen hebben de lijnen opgeblazen", gromt de landwachter geërgerd. "Wat zijn dat voor mensen, terroristen?" gaat het ver­pleegstertje onverstoorbaar verder. Verbaasd kijkt hij haar aan. "Weet u dat niet, juffrouw?" En trots, dat er iemand is die minder weet dan hij, legt hij haar in zijn platte landwachtertaal uit, dat het mensen zijn, die 's nachts sabotageda­den verrichten. "Maar 's nachts mag je toch niet op straat?" vraagt ze weer na­ïef. Verachtelijk kijkt hij haar aan, dat iemand zo stom kan zijn.

            Maar even later weet de verpleegster precies wat ze graag wil weten. Van de 800 gevangenen zijn er 200 ontsnapt. Hoe meer petten ze uit kan delen, hoe meer gevangenen er zullen ontvluchten. Even later heeft ze tal van hoofd­deksels bij zich. Geld heeft ze ook opgehaald, dat kunnen ze ook gebruiken.

            Van de landwacht, met wie ze nu op goede voet verkeert, mag ze weer naar de gevangenen toe. Ze deelt eten en geld uit. Maar onopvallend drukt ze hen ook hoofddeksels in de handen. Dan verdwijnt ze.

            Als ze ons dit alles komt vertellen, zijn we blij. We weten, dat ons werk voor veel gevangenen een uitkomst is geweest en dat is onze grootste voldoe­ning.

 

 

De 18e april staan we 's avonds weer klaar. En wel met de hele stoottroep. We liggen in ons alarmkwartier en wachten op het sein, dat toch komen moet.

Maar nu het vandaag niet gekomen is, voelen we dat we als stoottroep iets moeten doen om onze tijd niet te verbeuzelen. Met elf man zullen we er op uit trekken om vanavond en vannacht te saboteren zoveel als we maar kunnen. We hebben al een prachtig plan. Bomen over de weg laten vallen, colonnes steeds weer bij verrassing onder vuur nemen vanuit de bossen aan de hoofdweg,  en­zovoort.

            We hebben twee scherpschutters met karabijnen en een mitrailleur; de rest heeft stenguns. We wachten tot de tijd er is, dat we weg kunnen. Alle wa­pens zijn gepoetst en klaargemaakt tot en met. Sabotage-materiaal zit in tassen verpakt. Handgranaten liggen klaar. Het kan een prachtnacht worden. Toch we­ten we, dat het ook een gevaarlijke nacht kan worden, waarbij eventuele botsin­gen met de vijand noodlottige gevolgen kunnen hebben.

            Onze Rode Kruis-soldaat, Joop, is ook gekomen en dat tekent toch wel de ernst van de nacht die we tegemoet gaan.

 

 

            Helaas kan het die avond voor ons niet doorgaan. Want als de avond daalt, is de nacht helder en de maan schijnt zo helder, dat een actie met zo'n grote groep onverantwoord is. Kees en Ab besluiten daarom, ondanks de pro­testen van de jongens, die dat alles geen bezwaar vinden, thuis te blijven.

            Zo verglijden de dagen in ons alarmkwartier. We willen graag wat doen, maar we moeten kalm blijven. Discipline. Het is zo moeilijk als je alleen maar mag wachten, wachten. Het duurt zo lang. We houden ons bezig met de instructies die van het hoofdkwartier uit de stad komen.

 

            Op de avond van 21 april zitten we weer in ons alarmkwartier. We zijn niet in opperbeste stemming. Het duurt allemaal te lang. We lopen te veel ge­vaar met elf man in een paar huizen. Het loopt veel te veel in de gaten en het beroerdste is, dat de prestaties nihil zijn, omdat er doodeenvoudig niets te doen is. Er zijn geen instructies. We snappen er trouwens toch al niets van. Er ge­beurt bijna niets meer. Geen schot hoor je meer, geen vliegtuig zie je meer. Er wordt gemompeld over de capitulatie. Capitulatie. Het mocht wat. De moffen zijn nog helemaal zo vredelievend niet. Je moet tenminste om zes uur binnen zijn als represaille, en waarvoor? Omdat ze landmijnen op de B.W. laan hebben gevonden.

            Toch schijnt er wel iets gaande te zijn. Anders zou er wel gevochten worden, en dat wordt nu beslist niet meer gedaan. Hoorden we nog geen week geleden de granaten overscheren, het is nu stil.  Hierover spraken we op die 21e april.

 

            Dan wordt plotseling met een ruk de deur van het tuinpoortje open ge­gooid. Wie is dat? Even maar zijn we bang voor moffen, maar het volgende ogenblik zien we een bekende figuur. Het is Gerrit P., de commandant van de verdedigingsgroep die bij bakker Jan zijn jongens onder gebracht heeft.

            Met een bleek gezicht stormt hij bij ons binnen. We begrijpen, dat er iets gebeurd moet zijn. Het is mis, schreeuwt hij, kom gauw helpen.  Kees kal­meert hem, geeft hem wat te drinken en vraagt hem eens kalm te vertellen wat er aan de hand is. Gerrit is wat op adem gekomen en vertelt dan dat een mof de hele groep verrast heeft, zodat hij ze nu met een revolver in bedwang houdt. Krijgt de mof versterking, dan is het daar mis.

            Ab heeft tijdens Gerrits verhaal al maatregelen genomen. Thijs, Piet en Rien moeten mee om de jongens te ontzetten. Het zal niet meevallen, want het is sperrtijd en klaarlichte dag. Midden in de bewoonde wereld zal zo'n overval op een plaats waar de Duitsers gealarmeerd en op hun qui vive zijn, niet mee­vallen. Maar komaan, het moet gebeuren, onze vrienden mogen we niet in de steek laten.

 

 

Ab springt op de fiets met Piet achterop. Zij zullen het terrein vast ver­kennen; Thijs en Rien gaan te voet. Maar even later is Ab al terug. "Thijs en Rien terug. Stenguns en handgranaten halen, er staan twee of drie moffen met geweren, we beginnen niets met revolvers".

            Even later sjouwen we met onze stens, zonder schouderstuk, onder onze kleren, en handgranaten in onze zakken naar de plaats des onheils.

Als we het huis van bakker Jan binnen schotsafstand genaderd zijn en we met onze stens op scherp een aanval zullen wagen, zijn we verbaasd dat we niets horen en ook niets zien. Wat nu, afwachten of er maar op los stormen? Het laat­ste lijkt ons wel een beetje dolzinnig. Maar wat dan? Voor we een plan hebben, komt bakker Jan eraan. We hadden gedacht dat hij met de anderen gearresteerd was. Jan helpt ons spoedig uit de droom. Hij vertelt alles nog eens kalm over, wat we gedeeltelijk van Gerrit gehoord hebben. Ze zaten in het schuurtje met z'n allen, toen het gebeurde. Er kwam een mof om fietsen te vorderen, geheel onverwachts. Jan zat met Gerrit P. in de woonkamer. Gerrit P. was hulp gaan halen en Jan zou een smoesje met de mof gaan maken.

            Gewaarschuwd konden de jongens niet meer worden. Wel, toen ging het betrekkelijk eenvoudig. Hij zocht naar fietsen, ook in het schuurtje. Hij deed de deur open en verrast door het aantal mannen had hij onmiddellijk een revolver getrokken. De jongens, hierop niet voorbereid,  stonden weldra met hun handen omhoog. En al hadden zij het eerder bemerkt, wat dan nog... Hun wapens waren immers onder de grond verborgen...

            Jan was erbij gekomen en had een smoesje gemaakt van IJsselgangers, die een nachtje bij hem sliepen, maar die vlieger ging niet op, want de per­soonsbewijzen wezen dat niet uit. Daarom moesten ze uit de schuur komen en op het binnenplaatsje gaan staan, handen omhoog. In een halve kring stonden ze om de Duitser heen. Om beurten moesten ze vervolgens hun zakken leegma­ken en op een hoop smijten midden in de kring. Toen het gebeurd was, wist de mof zelf niet meer, wat hij doen moest. Hij ging naar de poort om hulp te ha­len, terwijl hij de jongens onder schot hield. Maar de hulp kwam niet gauw en toen hij zich even te ver waagde, had hij het pleit verloren. Blonde Jaap nam de gelegenheid het eerst te baat. Hij roetsjte weg, gevolgd door de rest. Over muurtjes en. door tuintjes waren ze snel verdwenen.

 

            Toen de mof met zijn collega's terugkwam, vond hij alleen nog maar het hoopje rommel, dat eerst de inhoud vormde van de verschillende zakken van zijn voormalige gevangenen. Huiszoeking leverde niet veel op. Zo zijn ze weg­gegaan. Jullie zijn net te laat, beëindigde Jan zijn verhaal.

            We zijn opgelucht. Niet omdat we nu niet hoeven te vechten, maar om­dat alles zo goed verlopen is. Nu maar gauw terug. De rest zal wel in spanning zitten. Langs huizen, door poortjes en tuinen bereiken we ons kwartier.

 

            Ze hebben daar in angst gezeten. Wat zijn ze blij, dat het zo meegeval­len is. Ze hadden gedacht dat het wel een gevecht geworden was. Ze hadden tenminste gemeend schoten te horen. Dat zal dan wel verbeelding geweest zijn.  Zo verloopt ook dit avontuurtje zonder ongelukken. Ze zijn er dankbaar voor dat we zo gespaard worden. Het had immers ook anders kunnen verlopen?

            Nog een paar dagen zitten we in spanning of de moffen nog eens bij Jan terug zullen komen. Het komt in deze dagen voor de verdedigingsploeg goed uit, dat het alarm voor de hele B.S. in Amersfoort tijdelijk opgeheven wordt, want bij Jan de bakker is het voor hen op het ogenblik gevaarlijk...

            En ze komen weer terug. Een paar dagen later verrichten ze een huis­zoeking. Wapens vinden ze gelukkig niet. Toch is het jammer dat dit kwartier nu zo in de gaten gehouden wordt.

Tijdens deze huiszoeking gaan Thijs en Rien met revolvers en handgranaten gewapend poolshoogte nemen. Mochten de moffen wapens vinden, dan zijn zij er ook nog. Maar het valt alweer mee en dus kuieren ze huiswaarts. Dat het in die dagen met controle en fouillering nog lang niet over is, maken ze op de te­rugweg nog mee.

            In een zijstraatje, waar ze door komen, krijgt een bewoner huiszoeking. De mensen die blijven kijken mompelen van een radio. Of de moffen, die deze huiszoeking verrichten, bot vangen en daarom andere slachtoffers zoeken, is ons nooit bekend geworden. Maar alle toeschouwers worden gefouilleerd en gecontroleerd, evenals de voorbijgangers. Thijs en Rien ontkomen er nog maar net aan. Voor ze nageroepen worden, zetten ze er maar onopvallend de pas in, de handen bij de wapens, de vingers aan de trekker.  Stevig doorgestapt zijn ze weldra thuis.

 

De laatste dagen van april zijn zeker niet de aangenaamste voor ons. Het is, dat de bevrijding niet lang meer op zich laat wachten, dat houdt onze hoop leven­dig, maar voor de rest is er niets, dat enige blijheid schenkt. Er is nu letterlijk gebrek aan alles. De toestand wordt werkelijk ondraaglijk. Berichten over hon­derden sterfgevallen aan hongeroedeem klinken ons al niet eens meer vreemd in de oren. Roerend, en ook echt typerend is in deze dagen het verhaal van Kees:

Kees komt  's morgens om ongeveer elf uur van de stad gelopen. Fietsen doe je liefst zo weinig mogelijk meer. In zijn arm draagt hij een paar pond meel, een kostbaar bezit. Het is wel weinig voor zoveel hongerige magen, maar alle beet­jes helpen. Op de hoek van de straat loopt hij tegen een kennis van hem aan, die in een gesprek met een oud mannetje is. Kees kent het oude mannetje ook. Zoals dat kereltje daar beverig staat, is hij een toonbeeld van ellende. Magere bleke wangen, trillende handen en holle moede ogen. Geen wonder, want de oude man heeft honger. Met tranen die over zijn uitgeteerd gelaat rollen, vertelt hij ook Kees, dat hij een paar dagen niets gegeten heeft en dat hij vanmorgen met niets zijn honger heeft kunnen stillen. Ontzet hoort Kees hem aan. Dan, zonder een moment van aarzeling, duwt hij de zak meel in de handen van het mannetje, dat er met stomme verbazing naar kijkt. Voor Kees weg kan lopen heeft de oude hem vol dankbaarheid beetgepakt. Hij stamelt: "Meneer,  ik wist dat er redding zou komen. Ik heb er dringend om gebeden. God heeft mijn ge­bed verhoord.  Ik dank u..."

            Dan snelt het oude mannetje blij heen om ook zijn hongerige vrouw deelgenote te maken van zijn blijdschap.

 

 

            We weten, dat er tal van mensen onder dezelfde omstandigheden leven en velen hebben het nog zwaarder. Dat maakt alles zo moeilijk en zo zwaar. Want we kunnen maar weinig helpen. Onze onderduikers en spoorwegmensen moeten immers ook geholpen worden en zelfs voor die mensen is er zo langza­merhand niets meer. Naast deze honger gaat ook de terreur on­verminderd voort. Fouillering, arrestaties, executies, inundaties, dat zijn de woorden, die nog steeds de grimmige werkelijkheid tekenen.

            Wat is het voor ons volk, vooral voor de hongerlijdenden, een oneindige blijdschap als de bommenwerpers van de R.A.F. met hun kostbare lading de grootste nood van ons volk komen lenigen. Zwermen vliegtuigen komen aan­gevlogen. Laag scheren ze over stad en land en brengen een vreugde, die we sinds jaren niet meer gekend hebben.

            Het is 29 april 1945. Een datum om nooit te vergeten. We begrijpen, dat dit een begin moet zijn van de periode waarin elke dag het einde van de oorlog bekend gemaakt kan worden. In Duitsland wijst ook alles op het einde. Er is zelfs een capitulatie-aanbod gedaan, hoewel Berlijn nog niet geheel veroverd schijnt te zijn. Wanneer zal de dag, waarop we jaren hebben gewacht, er zijn?

 

 

            Terwijl we in deze verwachting leven en we overtuigd zijn, dat onze il­legale strijd gestreden is, worden we de eerste mei erbij bepaald, dat ons verzet niet eerder ten einde is, dan op de dag waarop de laatste mof de wapens neer zal leggen.

            Op die eerste mei zijn we 's middags bij Rien, die zijn verjaardag viert. Het is een verjaardag met extra blijde gezichten. Er wordt gepraat over datge­ne, wat aller harten vervult. De vrijheid en de bevrijding liggen immers voor het grijpen?

            Dan verschijnt Lex. Hij wil de jarige even de hand drukken. Maar bin­nenkomen doet hij niet. In plaats van naar binnen, gaat hij met Rien naar bo­ven. Ook Ab en Thijs moeten komen. En dan zijn we plotseling weer midden in onze K.P.-sfeer. Weg bevrijding, weg verjaardag met theesurrogaat en thee­praatjes. Er moet eerst nog gewerkt worden.

            Lex vertelt wat er gedaan moet worden. Het concentratiekamp heeft hulp nodig. Het is sinds een dag of tien wel in handen van het Rode Kruis, maar toch worden de moffen niet vertrouwd. Vooral Cotella, de beul van het kamp, moet in de gaten gehouden worden. Volgens betrouwbare berichten heeft hij laten weten, dat hij vanavond nog eens terug zou komen. Waarom? Om zijn laatste wraakgevoelens nog bot te kunnen vieren? Men is er bang voor. Daarom heeft mevrouw Overeem, de Rode Kruis-leidster van het kamp, een beroep gedaan op de K.P. Als Cotella komt, met of zonder handlangers, moet zij jongens bij de hand hebben die hem en de andere boeven kunnen liquideren.

            Zelf heeft mevrouw Overeem een K.P.-er uit het kamp tot haar beschik­king, die zal zorgen voor een begrafenis van de beulen, indien er werkelijk tot executie overgegaan mocht worden. Een half uur later zijn we op weg. Enige tassen met stenguns en voldoende houders sjouwen we mee. Onze vuistwapens hebben we in de zakken. Zo kunnen we ertegen.

            Onderweg hebben we geen last van aanhouding. Toch is die dreiging er nog steeds. Achteraf is gebleken, dat er zelfs op die dag nog fouillering en aan­houding heeft plaatsgevonden.

            Voor zessen moeten we in het kamp zijn. Vlak bij het kamp nemen we wat meer afstand tussen elkaar. We ontmoeten stuk voor stuk Jannie, die ons laat weten dat Lex al in het kamp is en op ons wacht.

            Daar waar de uitgestrekte bossen van Amersfoort beginnen, begint ook het beruchte concentratiekamp. Een hel met veel prikkeldraad opent zich voor ons. Een vertrouwde politieman loodst ons een voor een het wachthuisje aan de ingang van het kamp binnen.

We zijn in Concentratiekamp Amersfoort. We beseffen het niet. Wuivende bo­men, die hun eerste groen over de paden welven, ruisen zo vredig en stemmig, dat je je juist verre waant van een oord van ellende en verschrikking.

            Maar we gaan het wel realiseren als we even later samen met de agent de laan aflopen die dieper het kamp in leidt. We komen aan het einde van deze laan. Dan zien we het kamp. De eerste indruk is een klein dorp met houten ba­rakken. Maar de grimmige afrastering van rol-prikkeldraad en de verkennings­torens spreken een minder vredig woord. Hier is nu de plaats waar we nooit an­ders dan met afgrijzen en machteloze woede aan gedacht hebben. Maar het beeld is nu al verschillend van de toestand zoals het een maand geleden was.

Geen moffenschreeuwen klinken ons in de oren en de beklemming die ze ver­oorzaakten,  is verdwenen, nu het kamp onder bewaking staat van Hollandse agenten in dienst van het Rode Kruis.

 

            Door een geopend hek, dat echter nog geen toegang geeft tot het echte kamp waar de gevangenen verblijven, betreden we het terrein waar de SS-ba­rakken staan.

            In een zaaltje, dat als kantine heeft gediend voor het bewakings-geboef­te, nemen we plaats op enige stoelen. Onze gids trekt de gordijnen dicht om de nieuwsgierigheid van buiten niet op te wekken en laat ons alleen. Daar zitten we nu. In het concentratiekamp. In een SS-barak, wachtend op de dingen die komen zullen.

            Eén mei 1945. We hebben gedacht aan capitulatie en vrede, en nu wachten we op een beul, die geliquideerd moet worden. We draaien een pi­raatje, kijken wat in het rond, praten wat en laten onze gedachten gaan.

            Dan gaat de deur open. Onze begeleider treedt binnen met een dame en een heer. We worden voorgesteld. Het zijn mevrouw Overeem en meneer Van Doorn. Nu moet er gepraat worden. We nemen plaats om een tafeltje en me­vrouw Overeem begint.

            Ze vertelt van Cotella, die zeer waarschijnlijk vanavond zal komen.  "Ich komm zurück", heeft hij gezegd. En ze is bang voor zijn komst. Hij is tot alles in staat en zal zeker niet terugkomen om alleen maar een praatje te ma­ken. Wat nu te doen? Kan de liquidatie geheim gehouden worden tot na de ca­pitulatie, die toch spoedig kan komen? Of zullen de moffen voordien nog re­presailles kunnen nemen?

            Ja,  de capitulatie kan gauw komen, maar is dat wel heel zeker? Want de radioberichten spreken nog niet van een onmiddellijke capitulatie. Er zijn zelfs geruchten, dat de wapenstilstand voor belegerd Holland opgeheven is. En erg onwaarschijnlijk kunnen we die berichten niet vinden. Want het geschut, dat een dag of tien gezwegen heeft,  is vanmiddag weer begonnen.

            Zo nu en dan rommelt het dreigend. Het is als een onheilspellend voor­teken dat de oorlog weer voort zal rollen. Het is moeilijk om bij deze dreiging een beslissing te nemen. Want gaat de oorlog door, dan zullen de Duitse sadis­ten zeker laten merken, dat ze ook in het kamp nog de baas zijn. En om dan in zulke spannende dagen de woede in het bijzonder op te wekken en Cotella neer te schieten, is dat verantwoord? Zullen de represailles niet funester zijn dan het kwaad dat Cotella nog kan aanrichten?

 

            We besluiten voorlopig nog af te wachten. We zullen het portiershokje bij de ingang betrekken en daar met de dienstdoende agent (ook een ingewijde) wachten. Komt Cotella, dan kan mevrouw Overeem altijd nog waarschuwen.

            De avond daalt. Overal heerst stilte. Ook het geschut zwijgt. Alleen het ruisen van de bossen is te horen. In het kleine hokje wachten we. Erg vlug ver­strijkt de tijd niet. Het is zo jammer, dat we niet weten hoe lang dat wachten moet duren.

            Op tafel liggen wat boeken. We nemen een boek, maar het lezen wil niet erg vlotten. Praten dan maar. Met vijf man valt er toch wel wat te zeggen? Zo nu en dan snort er over Laan 1914 een auto langs en luisteren we even. Maar het ene uur na het andere verstrijkt zonder bijzonderheden.

 

            Dan, om een uur of twaalf, stopt er een auto.

"Weg jongens", fluistert de agent. "Hier Lex". Lex krijgt een Rode Kruis-band om zijn arm en wij sluipen gedrieën de deur uit, de bossen in. We springen in een loopgraaf en nemen de stens, duwen er een houder in en luisteren. Wie zou er komen? Cotella met zijn handlangers?

            Voor het hok klinkt het "Offen machen". Onze vriend agent horen we morrelen aan de grendel en het hek zwaait knerpend open. Dan trekt de auto op, we zien de koplampen de oprijlaan naar het kamp verlichten en de auto snort voorbij. Als we even later weer binnen zijn, horen we, dat het een vracht­auto met Sicherheitspersoneel is geweest, dat voorraden uit het kamp kwam ha­len.

            Even later staat er weer een auto stil, we sluipen weer weg, maar het blijkt weer hetzelfde te zijn. Nog meer SD-voorraden. Een uur daarna vertrek­ken de auto's. Zo gaat de tijd tenminste voorbij . Maar wanneer komt de tijding van mevrouw Overeem? Zou Cotella nog wel komen?

            Als de onzekerheid hierover nog steeds voortduurt, besluit de agent eens te gaan horen hoe de zaken staan. Als hij terugkomt, weten we meer. Co­tella zal waarschijnlijk niet meer komen. Zodra het zes uur wordt, kunnen we vertrekken. Mocht een van de volgende dagen onze hulp nodig zijn, dan zou ze daar graag een beroep op doen.

 

            Met deze zekerheid is de spanning voorbij. Op onze armen slapend zijn de laatste uren volgemaakt. Om acht uur gaat het hek voor ons open en tippelen we met slaperige ogen de vroege morgen in.

            De volgende dagen zijn nog roezig. We verwachten ontwapende mof­fen, zegevierende geallieerde legers en een rust en orde scheppende B.S. Maar zo geschiedt het niet. Allereerst maakt de radio ons duidelijk dat de bevrijding van de bezette legers niet eerder dan in een dag of drie voltooid kan zijn.

            In die tijd mag de B.S. niet gewapend optreden. Ontwapening van de Duitsers geschiedt door geallieerde soldaten. Het is een teleurstelling, die we bij al die blijdschap wel kunnen verdragen. Maar als er op 6 mei ongeregeldhe­den plaatsvinden tussen B.S.-ers en moffen, dan wordt het ons eens te meer duidelijk dat de capitulatie pas volkomen is, als de laatste mof zijn wapens neergelegd heeft.

 

            Dat dit de werkelijkheid is, ondervinden Piet en Rien nog eens. Zondag­avond 6 mei wordt ons door Kees Overweg (Kees B.) bericht, dat er in de Cro­cusstraat een mof bezig is zijn revolver leeg te schieten. Dat hij dit doen zou op spelende kinderen, zoals ze ons per telefoon meedelen, lijkt ons wat onwaar­schijnlijk, alhoewel een dronken mof tot alles in staat is. We besluiten te gaan kijken. Wel is er een verbod voor B.S.-ers om wapens te dragen, maar toch gaan we maar niet met lege handen.

            De schemering begint al, als we genoemde straat bereiken. En dat het er niet pluis is, bemerken we als we een fiets op straat zien liggen en even verder een groepje donkere figuren zien staan. Het zijn enige bewoners van de straat, die ergens over bezig zijn. Als we naderen, stokt hun gesprek. "Is hier iets aan de hand?" informeren we. In het schemerdonker hebben we echter niet be­merkt, dat zich tussen de burgers een soldatengestalte bevindt. Maar als deze gestalte zich uit het groepje losmaakt en ons toesnauwt "Was machen Sie hier?", begrijpen wij, dat dit de rustverstoorder moet zijn.

            Hautain en uitdagend, alsof hij tot een overwinningsleger behoort,  in plaats van tot een smadelijk verslagen leger, staat hij voor ons. "Haben Sie Waffen?" is zijn volgende snauw. En werkelijk stelt hij pogingen in het werk om ons te fouilleren, maar als hij bij Piet komt, snauwt deze op zijn beurt:  "Hände hoch" en richt zijn pistool. De mof reageert snel. Bliksemsnel duwt hij de hand van Piet weg en wil hem te lijf. Maar nog sneller schiet de linkerhand van Piet naar de keel van de mof en duwt hem ruggelings over het tuinhekje heen. Dan schiet Piet. Hij schiet met opzet niet raak. Met een luide knal schiet de kogel vlak langs de oren van de mof. En Piet heeft goed gezien, dat dat al­leen al voldoende is. Want de mof staakt zijn tegenstand. Als Piet hem loslaat, gooit de mof bij wijze van overgave zijn koppelriem met revolver in foudraal op de grond.

            Piet heeft glansrijk gewonnen. Het gevecht heeft maar enkele seconden geduurd en het heeft verrassende resultaten gehad. De bewoners van het straat­je zijn verdwenen. Ze zijn bij het begin van de strijd als hazen gevlucht. En voor ons staat een zeer deemoedige mof. Van zijn zelfverzekerde houding is weinig meer overgebleven. Met smekende stem vraagt hij, of we Freunde van hem zijn, terwijl hij ons een doos sigaretten voorhoudt. Het is beslist een ver­achtelijk gezicht, die kruiperige houding van de mof, die ons enige minuten ge­leden nog zo uit de hoogte afblafte.

            Als Rien hem daarop wijst, en hem vraagt hoe die houding van straks met die van nu te rijmen valt, komt het er verslagen uit: "Ich hatte Angst".

            Als een hond jagen we hem weg, na hem gewaarschuwd te hebben de orde in onze stad niet langer te verstoren. Zo zijn de moffen. Hun minderwaar­digheidsgevoel verbergen ze achter hautain geschreeuw en gedreig.

 

            Een soortgelijk geval doet zich enige avonden later voor. Kapitein Ze­gers, die met een officier van prins Bernhard de B.S. uit onze wijk bezoekt, heeft de jongens aan de hoge gast voorgesteld. Juist als hij hen wil gaan toe­spreken, komt er hijgend een burger ons kwartier binnenstormen. Uit zijn onsa­menhangend verhaal is op te maken, dat enkele Duitsers bezig zijn iemand te molesteren.

            Kapitein Zegers vraagt enige K.P.-ers, die onder leiding van de officier hulp zullen gaan bieden. Ab, Jaap, Thijs en Blonde Jaap snellen naar de wapen­kamer voor de stens.

            Thijs en Jaap lopen naast de officier. "Zijn jullie niet bang?" vraagt hij. Bang? Hoe kan hij dat van hun denken! "Ook niet bang om straks een Duitser neer te schieten, als dat nodig zou zijn?" "Ik zou dat zonder aarzelen doen",  antwoordt Jaap. En de officier weet dat hij van de jongens op aan kan. Want wat Jaap uitspreekt, leeft ook bij de andere jongens. De officier heeft dit de jongens gevraagd, omdat hij wel eens ervaren heeft, dat als het er op aan komt, men voor zulke beslissingen terugschrikt.

 

            Ze zijn intussen op de plaats aangekomen waar de Duitsers gesignaleerd zijn. Onbewust van hetgeen hun wacht, oefenen de moffen hun terreur uit. Tot op de laatste dag, dat ze nog wat te zeggen hebben laten ze zich gelden. Ze hebben zojuist een burger naar binnen geslagen, omdat hij het waagde na sperr­tijd nog aan zijn deur te staan. En menen ze ergens burgers te zien: dan maar schieten. Die Hollanders zullen weten dat zij nog steeds de baas zijn. Maar wat is dat? "Hände hoch", horen ze roepen en voor de twee moffen hun geweer of handgranaten kunnen gebruiken, voelen ze een stengun in hun rug en ook voor hen staan twee gewapende personen. Weifelend gaan hun handen omhoog. Hun geweren worden afgenomen.

            Wat ze hier doen. "Tun? Gar nichts..." Wie of er dan geschoten heeft. O, daar weten ze niets van. Maar als hun geweren onderzocht worden, blijken er nog maar één respectievelijk twee van de vijf patronen in de kamer te zitten.  "O, maar dat was al zo. En waarom zouden wij schieten?" "Ihr seid Schwein­hunde", wordt hen toegevoegd. Over hun onschuld hoven ze niet te huichelen, dat hebben ze al vijf jaar lang kunnen doen.

            "Hande hoch", commandeert de staf-officier, en het is nodig, want een van de moffen, een klein sluw kereltje, heeft een van zijn handen verdacht dichtbij zijn koppelriem laten dalen, waarin verschillende stokhandgranaten steken. Daarom worden alle wapens afgenomen en daar staan ze. Ze hebben niets meer waarmee ze hun terreur voort zouden kunnen zetten en dat spijt hen. Ze jammeren, wat ze nu moeten, als ze straks weer bij hun onderdeel terugko­men. Ze kunnen toch niet zonder hun wapens terugkomen?

            "Jullie zijn ontwapend door een Engels officier", antwoordt onze offi­cier in perfect Duits, "zeg maar, dat jullie ze lang genoeg misbruikt hebben".

Als de moffen van officier horen, klakken ze met hun hielen en zijn ze zicht­baar onder de indruk. "Gut, Herr Offizier, wir wollen sagen dass..." "Ja, ruk maar in, vertel maar", gromt de officier en hij draait de moffen de rug toe. Met de buit komen de jongens weer terug in het B.S.-kwartier.

            Dit is de laatste maal, dat we als verzetsgroep in aanraking komen met onze onderdrukkers.

            We kunnen tevens zeggen, dat dit tevens het einde van onze verzets­strijd is. De ontwapening van de twee moffen symboliseert voor ons het einde van de terreur, waaronder ons volk vijf jaar lang geleefd heeft.

            We zijn niet langer meer illegaal, niet langer meer rechteloos, we zijn vrij...

 

Ons volk herleeft. Ons land herrijst...

 

 

            Het geweld van de oorlog is voorbij. Geen bombardementen meer van massale luchtvloten, geen dofdreunende kanonnen, geen arrestaties, executies... geen verzet...

            We leven verder.  In vrede, in vrijheid. We willen bouwen, werken. Ons land heeft ons immers nodig? Bouwen, werken, ja. Vechten, strijden is immers voorbij?

            Nee, zo is het niet. Onze strijd gaat door.  Het gevecht duurt voort. Niet meer met vuurwapens in onze handen, maar met het wapen van onze principië­le overtuiging. Vechten tegen ongerechtigheid, vuil gewin,  futloosheid,  strij­den tegen de geest van deze eeuw.

            Maar we worden zo moe, het lijkt zo nutteloos... Je zou liever vloeken,  en onverschillig zijn voor alles. Onverschilligheid is echter desertie. Want we hebben verkozen te strijden onder het banier van het Evangelie tegen de Revo­lutie. Dat hebben we gedaan toen de Duitser ons volk vertrapte. Toen was er onrust, corruptie, terreur.

            Maar nu zijn de symptomen hiervan er nog. Daarom mogen we het niet opgeven. Daarom moeten we blijven strijden met diezelfde geest van opoffe­ringsgezindheid die ons toen bezielde.

            We kunnen alleen bouwen en werken voor ons land,  als we dit strij­dend doen.

            We zijn het verplicht tegenover onze gevallen vrienden. Als wij het nu opgaven, dan zou hun werk tevergeefs geweest zijn.

 

Wij moeten voortzetten, wat zij begonnen. Dus gaan we strijdend verder .

 

 

            In herinnering voort leven onze vrienden.

Luit, Jaap en Wubbo, ze zijn nooit teruggekomen. Het is zo moeilijk om hierin te moeten berusten. En als wij onze vrienden missen, dan weten we nog maar iets van hun nabestaanden. We weten ook, dat we maar weinig voor hun vrouw of ouders kunnen doen.

 

            Het leed is zo groot, dat mensen dit niet kunnen peilen, zelfs niet, al missen wij hen als vriend heel erg.

Het is zoals de koningin bij de herdenking der gevallenen in Vught sprak:

            "God alleen weet van het leed, dat er geleden wordt

            en van alle rouw in de harten.

            Dit is te heilig en te teer

            om door mensen te worden aangeroerd"

 

            Toch, al is het leed niet ten volle te verstaan, al kunnen we weinig doen, wat we kunnen doen zullen we met Gods hulp nooit nalaten .

 

            En al kunnen we moeilijk berusten in het gemis, al staan we machteloos bij rouw en leed, weten doen we, dat Zijn weg is in het Heiligdom.

 

            In dat licht bezien mogen we onze vrienden gelukkig weten.

Hij heeft hen, en het lijden in Duitsland, voor teleurstellingen na de bevrijding willen besparen.

 

Zij zijn nu in een beter Vaderland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(namens de verzetsgroep, J.M. (Rien) Van Gent)

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar



 Enschede in 40-45

beheer