Onze strijd in de bezettingstijd van Amersfoort en omstreken Deel 5

 

 

 

 

            Niettemin is het moeilijk met onze vele drukke werkzaamheden voor­zichtigheid te betrachten. Vaak moeten de jongens er toch op uit, want alle koe­riersters zijn dan weg.

 

            Hoe gaat het meestal? Je denkt "Ik zal het maar wagen, van controle heb ik vandaag weinig gehoord". En je hebt immers altijd nog papieren, al zijn ze vals. Vooruit maar, even heen en terug naar de stad en het is gebeurd. Het gevolg is, dat we op een keer aangehouden worden. Wonderlijk is het, dat we er nog steeds weer tussendoor rollen. Gerrit wordt zelfs met een pak vol pasge­stencilde nummers van Trouw aangehouden. Hij dacht ook dit pak zeer onvoor­zichtig even bij Vonk te brengen. Maar Gerrit zou Gerrit niet zijn, als hij zich er niet doorheen zou slaan. Met een brutaal gezicht, waarop te lezen staat, dat hij allang weet waar het om te doen is, grijpt hij, voor ze nog "Ausweise" geroe­pen hebben, naar zijn binnenzak. Het pak met illegale lectuur legt hij met zo'n achteloos gebaar op de bagagedrager, dat niemand het in zijn hoofd haalt dat pak, dat er immers heel niet geheimzinnig uitziet, open te maken.

 

            Zijn papieren zijn in orde. Hij kan gaan. Met drukke beweging stopt hij zijn Ausweis weer in zijn binnenzak en neemt het pak onder de arm. Maar hij doet het zelfverzekerd en met een gezicht, dat verstoordheid uitdrukt over het onnodige oponthoud in zijn drukke werkzaamheden.

 

            Zo'n controle als Gerrit meemaakt, is wel eens nodig om de anderen voorzichtiger te maken. Voor de jongens van de I.D. is het tenminste al heel moeilijk om onverwachte controles te vermijden. Meermalen worden ze aange­houden en mogen ze weer doorgaan.

 

Tot op een zondagmorgen. Frits en Henk, die behalve in de I.D. ook in onze stootgroep zijn opgenomen, meegenomen worden. Hun papieren zijn wel in orde, maar de Landwacht vindt het toch nodig, hen mee te voeren. Ze gaan mee, en zitten weldra met nog andere jongens in een gebouw opgesloten. Ze zijn echter vol goede moed. Er zal wel een kans komen, om te ontsnappen. Maar het zit ze niet mee.

Als ze 's middags proberen te ontsnappen door een raam, dat ze opengekregen hebben, worden ze met veel lawaai weer naar binnen gejaagd door een Duitse post. Maar 's avonds krijgen ze een betere kans. Ze ontkomen met behulp van Ina.

            Als ze thuiskomen zijn ze vanzelfsprekend blij, dat ze er weer zijn, toch is hiermee niet alles gebeurd. Hun papieren zijn erbij ingeschoten en dat kan voor de ouders van Frits en Henk nog moeilijkheden geven. Ze hebben uit voorzorg reeds hun Joodse onderduikers op een ander adres gebracht en Frits en Henk kunnen zelf ook niet meer thuisblijven. Maar dit alles hebben ze er graag voor over. Het voornaamste is immers: de vrijheid weer te hebben.

 

            De jongens van de I.D. hebben de laatste tijd veel belangstelling. Niet alleen met het oog op de aanhoudingen langs de weg, maar ook op hun post zelf. Hebben de moffen argwaan gekregen, nu er maar steeds dezelfde perso­nen langs dezelfde weg gaan?

            Johan is op een middag alleen op zijn post. Plotseling wordt de deur van zijn kamer opengesmeten door de dochter des huizes: "Vlug, er zijn Duit­sers achterom gekomen". Maar tijd om zich te verbergen is er niet. Zijn aante­keningen verdwijnen in zijn schoen. Hij heeft het precies op tijd gedaan: een fanatiek vertegenwoordiger van het Duitse boevenleger klost de kamer binnen. Ze komen om fietsen. Die zijn beneden echter heel moeilijk te vinden, daarom is deze mof naar boven gekomen. Als hij Johan ziet in een kamer met een tafel­tje bij het raam, krijgt hij argwaan. "Was machen Sie hier?", snauwt hij hem toe,  "Ausweis".

            Kalm haalt Johan zijn papieren voor de dag. Ja, die mof moet toegeven, dat alles in orde is. Maar wat moet hij midden op de dag hier op die bovenka­mer doen? Waarom werkt hij niet? Zijn papieren wijzen immers uit, dat hij bij Vollenhoven werkt? Wel, begrijpt Herr Offizier dat niet? Nogal wiedes, een vrije middag, dat is alles. Maar wat moet hij dan in dat huis? Volgens zijn pa­pieren woont hij niet in dit huis aan de Birkt. Dan lacht Johan ondeugend. Met een bezittersair promoveert hij de dochter des huizes als zijn verloofde. Als heer officier nu nog niet begrijpt wat hij hier doet...

            Grommend gaat de mof verder. Maar als hij even later beneden komt, moet hij Johans papieren weer zien. Hij raadpleegt zijn collega, wat die ervan denkt. Ook deze ondervraagt Johan, maar veel verder komen ze niet. Ze drui­pen af, zonder fiets, maar de argwaan is nog niet van het gelaat van de eerste mof als hij het erf verlaat.

 

            Diezelfde nacht wordt er hevig op de deur gebonsd van het huisje waar Johan 's middags gesnapt werd. De vrouw des huizes doet open. Nog voor ze de deur open heeft en kan zien wie haar wakker maakt, is een ruwe gestalte, die haar opzij duwt, er. Hij stormt in een ren de trap op. Het is de mof, die 's mid­dags geweest is. Met een zwaai gooit hij de deur van de bovenkamer open, zijn revolver gereed. Maar als zijn zaklamp door de donkere kamer flitst,  is er niets, dat argwaan wekt. Een verlaten, stille kamer met wat stoelen en een tafel­tje en grillige schaduwen op de wand, veroorzaakt door het licht van de zaklan­taarn. De mof knarsetandt. Heeft hij het dan zo mis gehad? Hij had gehoopt een spion op heterdaad te kunnen betrappen. Huiszoeking dan maar. Misschien heeft de spion een geheime schuilplaats. Maar de huiszoeking levert niets op. Buiten de bewoners zijn er geen verdachte personen in huis.

            De jongens van de I.D. hebben die middag verstandig gehandeld. Het devies "veiligheid voor alles" zijn ze trouw gebleven. Toen Johan afgelost werd door Jan en Niek en zijn verhaal vertelde, was hun besluit vlug genomen. Ver­huizen naar het reserveadres. Geen risico nemen. Zonder onderbreking kan onze in­lichtingenpost nu doorwerken.

 

 

            Terwijl de honger als een steeds groter en donkerder wordende schaduw over ons land gaat, raast de oorlog voort. En het laatste beetje voedsel dat de Duitsers nog in ons benarde land ontdekken, verdwijnt in de richting van het oosten. Niet alleen voedsel; voor de oorlog belangrijke machines en helaas ook politieke gevangenen worden 's nachts in lange, langzaam rijdende treinen ver­voerd. Dit betekent voor ons, jongens van de K.P., dat ons werk nog niet afge­lopen is. Want zolang die treinen rijden, moeten we saboteren.

            Maar ook voor de meisjes van de K.P., de koeriersters, is er nog steeds geen rust. Het voorbereidende werk wordt door hen verricht. En als de sabota­ge gepleegd is, gaan zij het resultaat bekijken. Zo komen we precies te weten wat nodig is. Dat dit werk niet zonder gevaar is, beseffen we ten volle. Maar zij doen het met de volledige overgave van hun vaderlandslievende harten. Zij zien het als een plicht, ook zij voelen zich in deze totale oorlog soldaat.

 

            Wij hebben er weer een sabotage opzitten. Weer twee lijnen: Amster­dam en Utrecht. Het is een vermoeiende nacht geweest. Eerst zijn we door weilanden en over sloten naar de lijn Amsterdam geweest. Daarna zijn we over de verkeersweg naar de lijn Utrecht gelopen. Het was zo donker door die bos­sen, dat we bijna de weg kwijt waren, maar we zijn er gekomen. Nu zijn we er bijna zeker van, dat de lijn Utrecht het niet "gedaan" heeft. De bekende knallen kwamen wel uit de richting waar de lijn Amsterdam op de verkeersweg lag, maar de lijn Utrecht heeft gezwegen. Wat is er gebeurd?

            Dit zullen Ina en Bia, onze koeriersters, gaan onderzoeken. We duiden hen uit, waar de lading moet zitten. Ze moeten controleren of de lijnwacht het weggehaald heeft. Ze gaan 's morgens op weg. Ze hoeven niet dezelfde weg als de jongens te nemen. Want de aangeduide plaats is ook te bereiken over het fietspad, dat vlak langs de lijn Utrecht loopt. Weldra zijn ze op het fietspad, dat op de vroege morgen zich verlaten langs de spoorweg slingert. Het is nog fris, maar de zon wordt straks wel warmer.  Het is immers lente? Het mooie voor­jaarsweer maakt hen blij. Het is net, of met deze mooie ochtend de oorlog niet bestaat. In deze vredige natuur kun je alleen maar aan de schoonheid van de schepping denken. Maar toch moeten deze meisjes, die het lieflijke van de morgen met volle teugen indrinken, hun gedachten in de rauwe werkelijkheid verplaatsen. Want ze leven in oorlogstijd en ze zijn op oorlogspad. Want daar liggen de stalen rails, met het glimmend gereden oppervlak, waarover de geha­te Wehrmachts-treinen gaan.

            De ogen dus niet gericht op de slanke grijs-groen gekleurde dennen, die zachtjes wuiven in de ochtendwind, ook niet op de blanke zandverstuivingen in de verte, die zich flauwgeel aftekenen tegen de groenbeboste achtergrond, maar op de weinig poëtische spoorbaan. Ze zijn nu halfweg Amersfoort-Soestduinen. Nu scherp opgelet, want weldra zullen ze de plaats bereiken, waar de jongens de afgelopen nacht aan het werk zijn geweest.

 

            "Kijk, daar..." Bijna gelijktijdig roepen de meisjes het uit. Het is niet twijfelachtig meer, waar ze moeten zijn. Tussen de zwartbruine staven slinge­ren zich de witte slagkoorden. Stijf tegen de rails, in de holte van de flank, lig­gen de blokken explosieve stof. Grauwgroene banden houden de lading op de plaats, evenals enige grove stenen uit het grint. Het is onbegrijpelijk, dat alles er nog zo ligt, het is een grimmig stilleven in bezettingstijd.

Heeft de lijnwacht dit niet bemerkt? Is de lading niet tot ontploffing gekomen? Maar deze vragen brengen Ina en Bia niet verder. Het is best mogelijk, dat de lijnwacht te achteloos is geweest. En de tweede vraag is nu maar een uiting van verbazing, want ze kunnen zien dat het niet gebeurd is. De ontsteking zal wel niet in orde geweest zijn. Maar wat nu? De lading laten voor wat het is...nooit.

 

            Als dit keer het materiaal niet in orde geweest is, dan moet het een vol­gende keer maar weer dienst doen. Maar de moffen dit kostbare materiaal in handen spelen? Nimmer.

            De fietsen liggen aan de kant. Wat de jongens 's nachts kunnen, moeten zij ook durven als de spoorbaan  's morgens vroeg verlaten ligt. Op het fietspad is niets, dat op verraad duidt. Eenzaam is het vanaf de bossen, waaruit het van­daan komt, tot aan de bocht die het maakt in de richting van Soestduinen.  Ze weten het wel, al lijkt het veilig, toch is het mogelijk dat er Duitse posten, Duit­se ogen spioneren vanaf het terrein, waar de grote opslagplaatsen zijn. Maar zonder risico kun je vandaag de dag niet illegaal werken. Daarom aan de slag...

            Twee meisjes kruipen tussen de rails. Links en rechts voor en achter hun liggen gevaarlijke explosieve ladingen. Ze zijn er misschien wel door het herhaaldelijke vervoer vertrouwd mee geraakt. Al moeten de ladingen een half uur na het aanbrengen ontploffen, een lading op scherp blijft gevaarlijk.

            Van alle kanten kunnen vijanden komen en hen op heterdaad betrappen.  Ze zijn er zich van bewust. Maar de blokken moeten weg. De groene banden zijn doorgesneden. Ze liggen echter nog op dezelfde plaats, door de warmte der wielen vastgeplakt aan de rails. Al houden ze de pakken trottyl niet meer op hun plaats, de stenen die er tegenaan gedrukt liggen, verrichten nog dezelfde taak. De pakken worden weggehaald, het slagkoord onder de rails doorgetrok­ken. Een tas wordt aangesleept. Netjes wordt de complete lading hierin opge­borgen en dan is hun werk aan de spoorbaan beëindigd.

            Zo gebeurt het, dat onze twee koeriersters met een lading van de spoor­baan terugkomen. Op zulke medewerksters zou je trots worden. In de totale oorlog voelen onze meisjes zich soldaat. En ze zijn het ook. De gevaarlijkste karweitjes werden door hen verricht op klaarlichte dag.

 

            Als een van de gevaarlijkste en beruchtste SD-agenten geliquideerd wordt, is Ina degene die deze liquidatie mogelijk maakt. Enige weken lang schaduwt ze hem zo perfect, zodat er een gelegenheid geopend wordt om hem uit de weg te ruimen.

            Zonder het werk van de koeriersters zou ons werk nooit zo doeltreffend geweest zijn. En dit is niet alleen zo bij het K.P.-werk, ook in het L.O.-werk zouden we hen nooit hebben kunnen missen.

 

            De opmars van de geallieerde legers naar het hart van Duitsland is in­tussen begonnen. Tegelijk met deze opmars worden onze oostelijke en noorde­lijke provincies bevrijd. We begrijpen, dat voor ons de tijd niet lang meer op zich zal laten wachten of we zullen gewapend op kunnen treden. Elk ogenblik verwachten we de tijding, dat we onze alarmkwartieren zullen moeten betrekken. We hebben van Max zelfs al een schema van een plan volgens welke onze stootgroep van elf man moet optreden op het geschiktste ogenblik. Ook onze groep ter verdediging van de Nederlandse Spoorwegen is geïnstrueerd,  zodat wat ons betreft de Canadezen kunnen komen.

            En het is hard nodig, dat de Canadezen komen, want de moffen stichten een chaos, die nodig een einde moet nemen.

De wagenwerkplaats van de N.S. moet het vandalisme wel heel erg ondergaan. Eerst kreeg het de plundering van de Duitsers te verduren, die alles wat maar te slopen viel, lieten transporteren. Maar nu er niets meer te vervoeren valt, nu de Canadese legers niet ver meer van onze stad verwijderd zijn,  laten ze de plun­deringen over aan de schendende handen van minderwaardige individuen uit onze Amersfoortse burgerij.

Het begint aarzelend, niet omdat hun geweten spreekt, maar omdat ze bang zijn voor Duitse kogels. Als ze echter bemerken, dat onze onderdrukkers het maar al te graag willen, worden de plunderingen steeds brutaler. Het wordt zo dat de een de ander aansteekt. Iedereen rooft en plundert wat hij maar in de gaten krijgt. We hebben het eerst in machteloze woede aangezien, hoe onze eigen burgerij, ja zelfs onze eigen spoormensen, meehielpen onze mooie werkplaats, die toch deel uitmaakte van onze Amersfoortse welvaart,  zinloos te vernielen. Vloeren worden uitgebroken, kantoormeubels meegesleept.

            Het enige wat wij kunnen doen is dreigementen en waarschuwingen in het Oranjebulletin plaatsen. Maar al spoedig is de burgerij dit vergeten. En wat nu? De plunderingen nemen een steeds grotere omvang aan.

 

            Honderden, ja zelfs duizenden mensen lopen af en aan om maar mee te nemen wat ze sjouwen kunnen. Het gaat 's nachts zelfs door met plunderen. Po­gingen worden gedaan om de electromotoren los te schroeven en weg te halen. De moffen lachen: die stomme Hollanders graven hun eigen graf. Ze vernielen hun eigen bronnen van welvaart.

            We weten het uiteindelijk toch tegen te gaan. Overal verspreiden we blaadjes. Elke plunderaar wordt in dit blaadje bedreigd doodgeschoten te wor­den, indien niet ogenblikkelijk een einde gemaakt wordt aan dit schandelijke en on-Nederlandse gedoe. Het helpt. Bijna niemand waagt het de ondergrondse te trotseren. Ja, enkelen wagen het wel. Maar de burgerij is er zeker van, dat die weinige personen dat niet zullen overleven. Ze zijn zeer bevreesd voor die ge­heimzinnige ondergrondsen. Maar we begrijpen dat het respect voor ons weer zal afnemen, als de meeste plunderaars ongehinderd en ongestraft kunnen door­gaan met plunderen.

            Verschillende leden van onze B.S. nemen daarom op zich 's nachts en wanneer het mogelijk is ook overdag te patrouilleren en iedereen neer te schie­ten die zich nog steeds vergrijpt aan de eigendommen van de N.S.

            Dit zo te doen, dat moffen (die onze blaadjes ook in handen gekregen hebben) noch burgers zullen vermoeden wie de B.S.-ers zijn, eist veel moed en voorzichtigheid. Meerdere malen knallen de schoten over het uitgestrekte ter­rein, waarbij iedereen weet, dat jongens van het verzet bezig zijn. Maar nie­mand kan er achter komen, ook de moffen niet, wie de geheimzinnige schutters zijn.

            Deze actie heeft tot gevolg, dat twee personen hun plunderingen en roof met de dood hebben moeten bekopen. Anderzijds is het resultaat bevredigend: niemand durft het terrein meer te betreden. We hebben het pleit gewonnen. Deze strijd hebben we echter moeten voeren tegen onze eigen landgenoten, ja zelfs tegen Amersfoortse spoorweglieden. Dat is ons erg moeilijk gevallen.

 

            Tegelijkertijd met de zuivering van het terrein hebben we de electromo­toren, die bijna in handen waren gevallen van de plunderaars, verder losge­schroefd en opgeborgen. In enkele gevallen hebben we de buizen onder de mo­toren weggeschoten om ons werk klaar te krijgen. Het is klaar gekomen, on­danks het gevaar om op heterdaad betrapt te worden. Toch is ons werk hiermee nog niet helemaal voor elkaar. Want al het geroofde moet immers nog achter­haald worden? We noteren daarom al de namen van de personen, waarvan we veronderstellen of zeker weten dat ze in het bezit zijn van oneerlijk verkregen goederen, die de N.S. toebehoren.

            Hiermee hebben we na de capitulatie het recherchewerk van de N.S. aanzienlijk vergemakkelijkt.

 

 

            Nu de Canadezen onze stad tot op schotafstand genaderd zijn, valt er vooral voor de K.P. veel werk te verzetten. De telefoon in ons zogenaamde hoofdkwartier ratelt elk ogenblik. Lex vertelt ons onder andere dat we zoveel mogelijk sabotage moeten verrichten, wat  's nachts prompt door ons gedaan wordt. Bij dag zitten we echter ook niet stil. In de Birkt heeft bijna iedere boer­derij inkwartiering gekregen. We gaan er nu vaak twee aan twee op uit om te kijken of er ergens wat mee te nemen valt. Elke mof die in het weiland ligt te zonnebaden, kan immers wat achteloos op zijn pistool zijn? Niek komt op ze­kere morgen terug met de mededeling dat een groep Russen gedeserteerd is met achterlating van wapens. We nemen ogenblikkelijk maatregelen.

 

            Ina en Bia gaan er samen met Niek op uit, om te kijken of er wat voor ons bij is. Daar gaan ze met hun lege karretje. Over de landweg die door de Birkt loopt, hobbelen de wielen speels achter de meisjes aan. Het anders zo rustige landschap is in zijn rust verstoord door ontelbare moffen, die af en aan lopen of rijden. In de verte davert geschut en ratelen mitrailleurs uit omlaagdui­kende jachtvliegtuigen. De meisjes weten het. Het front is niet meer ver weg en de soldaten die hier gelegerd zijn, zijn fronttroepen, die geen genade kennen. Maar het schrikt hen niet af. Komen ze straks terug met een karretje, dat be­zwarend materiaal bevat, dan worden ze onverbiddelijk neergeschoten. Maar - ze hebben immers een wapen, waarmee ze elke mof de baas kunnen: hun beto­verende lach en hun innemende manieren. Het stuit hen wel tegen de borst de moffen toe te lachen, maar het is de enige manier om ze te misleiden.

 

            De Duitsers zien de "Mädel" gaan. Ze zijn gevleid dat hun lach voor hen bestemd is. Daarom hebben ze geen aandacht voor het karretje, ook niet als onze koeriersters terugkomen met een lading handgranaten. Een officier loopt op de terugweg zelfs een eindje met hen mee, terwijl hij zich beijvert indruk te maken op de hübsche und mutige Mädel. En terwijl hij zo zijn praatje maakt, wordt zijn aandacht bepaald bij het karretje, dat de meisjes zo moeizaam voort­duwen.

"Ist das nur Holz?" vraagt hij, terwijl hij op het karretje wijst, waar de takken­bossen aan alle kanten uitsteken. "Nur Holz", antwoordt een van de meisjes on­bevangen, terwijl de ogen van allebei onschuldig stralen. De officier weet toch dat er geen kolen zijn? En die ijdele mof waagt het niet om een on­derzoek in te stellen. Dat zou zijn officieren-eer te na komen. Even later is de mof op zijn be­stemming en gaan de meisjes welgemoed verder. Ze passeren met vrolijke lach honderden moffen. Toch zijn ze blij, als ze eindelijk thuis zijn.

 

            Het karretje wordt leeggemaakt. De buit is aanzienlijk. Een Russisch mortier, tachtig Engelse en Duits handgranaten en kisten vol geweermunitie. Het wordt door ons met een hoeraatje begroet. Het is een onverwachte meeval­ler. Maar het meest in onze schik zijn we met de koeriersters. Ze vertellen hun wedervaren. Nadat Niek hun de weg gewezen had, waren ze al snel op de juiste plaats. Samen met Niek hadden ze alles, wat ze vonden tussen de struiken en in greppels, in hun karretje geladen. Elk ogenblik hadden ze kans, dat ook de moffen lucht kregen van de desertie. Dan had het er niet mooi voor hen uitge­zien. Maar het was meegevallen. Ook op de terugweg hadden ze die dreiging nog steeds in de rug gevoeld, maar nu zijn ze thuis, veilig en met een rijke buit.

            Als we nu 's avonds vanuit de ramen op de derde verdieping van Ants huis over de vlakke weilanden kijken, worden we steeds enthousiaster. Want de Canadezen naderen. In de wazige verte zien we de lichtspoormunitie van de ra­telende mitrailleurs en de steekvlammen uit de vuurspuwende tanks. Hier en daar staan molens of boerderijen, we kunnen het op die grote afstand niet on­derscheiden, in brand. De oorlog nadert onze kant.

            De alarmtoestand is voor onze strijders ingetreden. Dat verwondert ons niet, nu de bondgenoten zo dicht genaderd zijn. De radio bericht zelfs, dat er al gevechten plaatsvinden in de buitenwijken van Amersfoort, wat ons wel voor­barig lijkt.

We leven in spanning. Wat zal de naaste toekomst ons brengen?

 

 

            Het is de avond van 16 april.

We wachten tot de duisternis groot genoeg is om uit te gaan. Erg donker zal het niet worden. De maan is tenminste als een sikkel aan de avondhemel versche­nen. Maar toch donker genoeg om de moffen dwars te zitten.

            Vanmiddag kregen we de instructies: de twee spoorlijnen eruit, botsin­gen met de moffen vermijden.

Nu is het zover. Alles is stil op straat als onze eerste groep van drie de deur uit sluipt.  Ik zie ze gaan, als ze goed gewapend in het duister verdwijnen.

Zullen ze het redden? Het is geen gemakkelijke taak. Door de weilanden heen moeten ze een flink eind buiten de stad de eerste spoorlijn passeren, die de tweede groep zal opblazen. Dan moeten ze de grote weg oversteken, waarover ononderbroken de Duitse colonnevoertuigen rijden. Langs deze weg staan om de honderd meter soldaten met pantserfausten bewapend. Als dit oversteken lukt, kunnen ze de tweede spoorlijn bereiken, die zij deze avond moeten blok­keren.

 

            De terugweg is dezelfde. Teruggekomen bij de eerste spoorlijn zullen ze de tweede groep (de onze) daar ontmoeten. We hopen dan ook klaar te zijn met ons werk en de lading aangebracht te hebben. Samen hopen we daarna naar huis te gaan.

            Dit alles overdenk ik nog eens, als de eerste groep opgeslokt wordt door de donkerte van de avond. In de verte hoor ik de Duitse voertuigen, die de Hol­landse vesting binnenrollen.

Zal ons werk door God gezegend worden? Als de lijnen de lucht ingaan, kan de eerste 24 uur geen trein vertrekken. De Duitsers hebben de spoorlijnen hard no­dig voor vervoer, vooral nu. En de geallieerde legers staan hemelsbreed nog geen vijf kilometer van ons vandaan. We verwachten elk moment het offensief.

            Even later begrijp ik pas goed, waarom de lijnen geblokkeerd moeten worden. De telefoon rinkelt namelijk en de stem aan de andere kant van de lijn vertelt mij, dat er vannacht twee treinen met gevangenen zullen vertrekken. Eén met politieke gevangenen uit het concentratiekamp en één met Poolse krijgsgevangenen. Of die inlichtingendienst even secuur werkt. . .prachtig.'

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar



 Enschede in 40-45

beheer