Onze strijd in de bezettingstijd van Amersfoort en omstreken Deel 4

 

            Jongens, wij ook aan de slag.

Met zijn vijven, Ab, Jaap, Thijs, Piet en Rien, kunnen we heel wat sjouwen. Zo gaan we dan op pad. Een karretje hebben we tot onze beschikking. Twee buiten op de uitkijk en drie naar binnen. Met onze loper komen we binnen. In een oogwenk is ons karretje vol. Lakens, slopen, vloerkleden en serviesgoed. Zelfs een stofzuiger gaat mee. Dat er in een vissershuisje geen electriciteit zou zijn, daaraan hebben we nooit gedacht. Achter een gordijn staat ook nog een goede fiets. Voor onze koeriersters. Meer nemen we niet mee. Alleen wat strikt nodig is, is ons devies.

            Het is de volgende dag wel een slag voor de bewoonster, wier man aan het Oostfront zit. Maar komaan, ze komt thuis met een officier van de Wehr­macht, die kan haar gelukkig troosten.

            Kees is erg blij met de huisraad. We weten, dat we hem op die manier steunen en daardoor kan hij zich nu meer aan het verzetswerk geven. En we hebben hem zo erg nodig in dit werk. Hij is werkelijk als een vader voor ons. Niet alleen omdat hij veel voor ons meebrengt, shag, schoenen enzovoort, nee, maar omdat hij ons in alles steunt. Zonder hem hadden we wel eens onbezon­nen dingen gedaan. Met zijn ervaren kijk op de dingen helpt hij ons door de moeilijkheden heen. En als we er 's avonds op uit gaan, komt hij ons vast even bezoeken. Hij zegt soms maar een paar woorden, maar we voelen, hoe hij met ons meeleeft. We weten, hoe bezorgd hij voor ons is. God heeft voor ons allen een taak, heeft hij ons vaak gezegd. Ook dit werk in de donkere nacht is, mits we dit biddend kunnen verantwoorden, Zijn wil. Daarom moeten we dit zo doen, dat het in overeenstemming blijft met Zijn wil. Dan kan er geen lafheid zijn, maar ook geen roekeloosheid. Dan zullen we, als we God bidden om kracht, elkaar tot het uiterste toe kunnen bijstaan.

 

            Het is op een van deze avonden, als Kees ons weer bezoekt. Hij heeft met Jaap een duikadres naast het onze. Hij stapt achterom over de tuinhekjes bij tante Dien vandaan, naar de ouders van Joke, waar wij een gezellig tehuis hebben. In de keuken wenst hij ons sterkte. We vinden het fijn, dat we nog even kalm met hem kunnen praten. Het is deze keer ook een zeer gewaagde on­derneming.

            De lijn Amersfoort-Amsterdam moet eruit...

Dit is op zichzelf niets bijzonders. Dat hebben we al meermalen gedaan. Maar deze keer is er een zeer strenge bewaking. Geen wonder...

Een goeie week geleden hebben we een trein gekraakt onder de ogen van de moffen. Nauwelijks was dit hersteld of de K.P. Baarn gooide de wissels bij "De Naald", Soestdijk, eruit. En om dit "lijntje verwisselen" nog even vol te houden hebben we nu de opdracht om hier tussen Soest en Baarn aan het werk te gaan. Want de treinen rijden weer.

            Maar de Duitse lijnwachten, die door de veelvuldige sabotage toch al erg actief zijn, zijn nu nog verdubbeld. Niek, van de inlichtingendienst heeft het ons gemeld. Hij kent alle gegevens over de lijn Amsterdam op een prikje. Ina en Bia zijn er daarna ook nog op uit geweest. Ze hebben een praatje met de lijnwachten gemaakt. We weten daardoor dat ze vannacht onverminderd dienst zullen doen.

 

            Het is een groep van ongeveer vijfentwintig Duitsers, die het veel gesa­boteerde baanvak Amersfoort-Soest voor een gedeelte bewaakt. Hoe meer mof­fen aan de spoorlijn, hoe beter. Dat geeft immers, al is het nog zo gering, ver­lichting voor onze geallieerde vrienden aan het front. Vooral de punten, die door ons dikwijls bedreigd zijn, worden speciaal in de gaten gehouden. Toch zal er op een van deze punten weer gesaboteerd worden.

            Kiezen we een ander punt, dan komen we te dicht bij boerderijen die daardoor gevaar oplopen om als represaille opgeblazen te worden. Ook Jaap en Rien zijn ter voorbereiding nog op verkenning uitgestuurd. We moeten deze keer een vertrouwde weg hebben, waarlangs we heen en terug zo veilig moge­lijk weg kunnen komen. Met bemodderde en doorweekte schoenen komen we terug. We hebben vanavond twee goede gidsen.

 

            We vertrekken. Kees geeft ons nog een laatste advies:  "Denk er om jongens. Als de lijnwacht het onmogelijk maakt, dan liever niets gewaagd". We beloven het en verdwijnen in de nacht. Jaap en Rien gaan voorop, Ab en Thijs volgen. De lucht hangt zwaar boven de lage weilanden, die drassig zijn van de laatste regens. De wind rukt en trekt met hortende vlagen aan ritselende strui­ken langs de volgelopen sloten. Het woeste bassen van een nijdige hof-hond in de verte gaat verloren in de striemende wind.

            In een stevige pas, gesmoord door modder en gras, gaan we stilzwij­gend verder. De eerste boerderij ligt veilig verscholen tussen struise bomen, die hun brede zwiepende takken als veilige armen over de donkere rieten daken be­schermend uitstrekken. Maar juist van deze veilige luwte van boerderijen en bomen schiet een schaduw als een furie naar voren. Kreng...weg! De waak­hond, want die is het, gaat hysterisch grauwend tekeer. Zo'n smerige hond. Is dat schrikken.

            Als zijn we nu wakker geschrokken door het onverwachte blaffen van de hond, gaan we met gedempte stemmen pratend verder.

"Welk hek moesten we ook weer door, Jaap?" "Deze kant uit".

We lopen over kronkelende landweggetjes en we klimmen over prikkeldraad, springen over volle sloten; naderen met ingespannen verwachting het einde van onze heenreis.

            Het laatste weiland gaan we door, gebukt, dicht langs de wilgen aan de slootkant. Ja, nu is het dichtbij.

Maar zouden we de lijn wel ooit bereiken? Want we zien het nu goed. Waar wij ons de spoorlijn denken, zien we lichtjes, daar twee; ginds twee... Langzaam gaan ze als glimwormpjes voort. Lijnwacht? Hee, nu zie je weer niets meer, maar kijk, daar komt er weer een en nu de ander weer. Als lokken ons de licht­jes aan, zo gaan we nu vastberaden voort. Hebben we het echter wel goed? Loopt de lijnwacht met licht of zijn het soms fietsen, die over het fietspad gaan?

            Al gauw weten we wel zeker dat het de lijnwacht is. We zijn nu zo dichtbij, dat we tussen de vlagen van de wind hun stemmen horen. "Moeten we gaan?" vraagt Ab. Evenals hij denken we aan de waarschuwing, de woorden van Kees. Als geeft hij zelf een antwoord op die vraag, zo gaat hij even later langzaam voort. We begrijpen hem; hij wil de zaak eerst nog wat dichterbij be­kijken. Wij volgen hem.

 

            Weldra liggen we zo dichtbij, dat we de bogen van het elektrisch net en het hek van een onbewaakt particulier overweggetje kunnen onderscheiden. Twee lichtjes kruipen naderbij. De lijnwacht.

We kunnen ze nu nog beter horen. Toch kunnen we ze niet verstaan in de nach­telijke wind. De stappen worden zwaarder. Als ze op onze hoogte zijn, zien we hun lichtbundels zo nu en dan op de rails tasten. Hebben we bij deze controle nog kans? Ginds komen weer lichtjes. Ze lopen dus heen en weer. Iedere dub­bele wacht heeft maar een deel van de lijn in het oog te houden. Kunnen we niet beter teruggaan als het risico zo groot is?

            Maar de tas wordt tevoorschijn gehaald. Er is een kans...

We moeten hem alleen afwachten. We hebben twee zware ladingen. Het slag­koord hebben we erg kort gehouden en zwart geverfd. Een misthoorn wordt verbonden en nu even wachten. Volgens de inlichtingendienst komen tussen tien en elf uur heel vaak de meeste treinen binnen.

Het is nu tien uur geweest en er is nog geen trein gepasseerd, zolang wij er zijn.

 

            Als straks de lijnwachten voorbij zijn, gaan er minstens tien minuten overheen voor ze weer terugkomen. In die korte tijd moeten we de lading aan­brengen. Die kunnen we heel listig aanbrengen. We doen het bij het overweg­getje. Daar liggen de bielzen tussen de rails die een wegdek vormen. Opzij van dit wegdek, dus waar de rails overgaan in bielzen, plaatsen we de lading. De la­ding bevestigen we aan de binnenkant van de rails, die van Amsterdam komen. De misthoorn, die de ontploffing veroorzaakt zodra de trein er overheen rolt, drukken we bij het begin van het wegdek op de rails. Aan de andere kant van de lading nog een tijdpotlood van een half uur aan het slagkoord, dan kan het lukken. Rijdt er tien minuten nadat er een wacht geweest is, een trein overheen, dan is het voor elkaar. Gebeurt dit niet, dan hopen we maar dat het gecamou­fleerde slagkoord en de lading en de onopvallende plaats de lijnwacht zullen verschalken.

 

            Terwijl Ab dit Thijs nog eens fluisterend meedeelt, horen we plotseling het naderen van een trein. Jammer, waren we nu maar even eerder geweest. Maar gelukkig, het valt nog mee, het is een trein die van Amersfoort komt. En wij willen juist een trein nekken, die uit Amsterdam komt en naar Moffrika wil. De trein zwoegt voorbij.

En even later komen twee moffen langs. Ze tornen tegen de wind in, hun zak­lantaarns in de hand, hun geweren op scherp... Maar het zal vanavond wel niet nodig zijn. Welke terrorist waagt het nu bij zulke controle te saboteren? En wie gaat er nu met zulk hondeweer nog uit? De regen valt nu ook al neer en de wind vlaagt de regen in hun gezicht. Schweinhundewetter...

 

            Nee hoor, met dit weer kun je beter slapen en de "Krieg" maar vergeten. Er is immers zojuist een trein ongedeerd voorbijgegaan? Waarom dan nog zo'n bewaking? Maar wie zijn dan die donkere schimmen, die naar de rails toe krui­pen? Terroristen.

 

Maar de moffen zien niets. Ze horen ook niets. De wind maakt immers zoveel geluid. Ze schuifelen verder. Zie, daar komt weer een trein aan. Die komt uit Amsterdam en gaat naar Die Heimat. De trein rolt voorbij... Ah, die Heimat. Konden zij daar ook maar heen. Verdammte Krieg... Aber was nun?

            Fel als door een bliksemschicht, wordt de omgeving plotseling verlicht, als door de adders gebeten springen ze opzij, wenden zich om...Donnerwetter! Een scherpe knal, een hevige luchtdruk... Pats, daar liggen ze.

            Schrecklich, wat gebeurt er? Krakende en scheurende wagens, knarsen­de wielen die vastlopen, botsende buffers... schreeuwen, vloeken... een angstige gil van de locomotief die scheefhangt. Sabotage.

 

            Dan breekt hun razernij los. Hoe kan dat? Ze hebben immers goed op­gelet? De plaats waar de zaak de lucht in gaat, hebben ze toch net nog gecon­troleerd? Nee, hier staat hun verstand bij stil. Vooruit, de weilanden in. Maar waar zijn ze, die terroristen, en is het wel verstandig ze te volgen? Daar ligt een land van sloten, hekjes en weggetjes aan weerszijden van de baan. Nee, dat kan niet... want waar zijn ze?

            Waar ze zijn? Ze lopen al een kilometer verder. Ze verlangen naar huis, koffie, een sigaret... Ze zijn blij, want het is boven verwachting geslaagd. Ze zijn dankbaar: God heeft hun werk gezegend.

 

 

            De tijd gaat voorbij. De kwellingen van de Duitsers nemen hand over hand toe. En het lijkt wel, of de fut er bij het volk totaal uit is. Het is tenminste een ontroerend gezicht, als je het gezwoeg en gespit ziet, waarmee onze land­genoten de vijand van dienst zijn en onze bondgenoten tegenwerken. Op de werkplaats heeft dit werken voor de tiran helemaal schrikwekkende vormen aangenomen. Velen van deze heulers met de Duitsers gaan er vrijwillig werken om maar geld te verdienen. Maar dit doen ze niet voor het oog van de mensen. Nee, zo dom zijn ze niet. Zodra het donker wordt, gaan ze stiekem naar de werkplaats. De hele nacht werken ze, om 's morgens weer te verdwijnen.

Ze genieten bijzondere gunsten, verdienen goed geld en hebben zich tevens veiliggesteld met een Ausweis.

            En de moffen, die heel goed weten, dat ze met het minste allooi te doen hebben, maken van de diensten van deze Judassen heel graag gebruik. Om deze schurken, die als "stakers" vaak ook nog door ons uitbetaald worden, te leren kennen, hebben we veel moeite gedaan.

Maar een doeltreffende controle hierop is bijna onmogelijk. Daarom moeten we radicaal te werk gaan. Een van onze B.S.-ers, een staker, offert zich op. Hij zal zich ook als arbeider gaan melden. IJse weet, dat hij het moeilijk zal krij­gen. Want om je als collaborateur aan te geven, moet je gevoelens aan de kant zetten. En om er bij de Duitsers in te komen, zal hij als heuler weldra getekend zijn. Weldra is het in de buurt bekend. Hij werkt bij de Reichsbahn...

 

            Vrienden waarschuwen hem. Eens, als hij  's avonds met zijn fiets door het poortje gaat, rijdt hij zijn banden stuk in de talloze glasscherven, die zijn buren er voor hem neergelegd hebben. Dit maakt het voor hem ontzettend moeilijk. Maar hij doet verdienstelijk werk. We weten nu, hoeveel en welke personen daar in de nacht werken. Stempels van de Reichsbahn verdwijnen, dankzij zijn nachtelijke arbeid. Toch was dit zomaar niet voor elkaar. Want wie zou hem later rehabiliteren, als de omslag kwam? En kon zijn vrouw op een uitkering rekenen bij een luchtaanval, als IJse onverhoopt getroffen mocht wor­den? Dit is eerst allemaal officieel geregeld, zodat IJse daar nooit mee vast zou lopen.

            Ook moet alles geheim blijven. Niemand mag weten, waarom IJse daar werkt en vooral niet, dat hij daar in werkelijkheid illegaal bezig is. Het blijft zelfs zo geheim, dat een van onze B.S.-ers, die weet dat IJse daar werkt, hem als een collaborateur bij Kees aan komt geven. Dat het voor Kees in zo'n geval moeilijk was om te zwijgen, valt te begrijpen, maar het moet. Het is een eerste eis, wil ons werk slagen.

 

            De plunderingen van de spoorwegen worden op den duur echter ontzet­tend. Er zijn nu zelfs vierhonderd Soestenaars te werk gesteld. Wat er nog te slopen is, wordt door hen op de wagens geladen. Al dit materiaal verdwijnt in de richting Duitsland.

            Het wordt ons zo langzamerhand duidelijk, dat deze plundering niet meer te remmen is. De luchtbeschermingsploeg, die vrijwillig aangebleven is om deze plundering, vooral van de burgerij, tegen te gaan, heeft ook geen zin meer. Ze staan hier machteloos tegenover. Wat erger is, sommigen onder hen plunderen mee...

Daarom verschijnt er in het Oranjebulletin hierover een artikel:  "De luchtbe­schermingsploeg moet verdwijnen". En deze ploeg verdwijnt ook.

 

            Ab gaat op een morgen naar het wachtlokaal van de luchtbescherming en treedt drastisch op. Hij duwt de dienstdoende mannen het bulletin onder de neus, waarin Kees met krachtige potloodlijnen het bevel onderstreept heeft. Van achter zijn brilleglazen kijkt hij de mannen dreigend aan. Ze verdwijnen... Nog is echter hier de zaak niet mee afgedaan. Want het lastigste karweitje komt nog. De motorbrandspuit moet ook weg. Anders valt die in handen van de mof­fen.

 

            Het is zaterdagavond.  Drie donkere figuren staan bij de deur van het brandspuithuisje. Die deur schijnt bijzondere belangstelling te hebben, want hij wordt aan een nauwgezet onderzoek onderworpen.

Luchtbescherming, wees paraat: de brandspuit is in gevaar...

Maar er is geen luchtbescherming meer... op last van hogerhand? Ja

zeker. Ontbonden in naam van de koningin.

            En daarom gaan die drie in het donker voort met hun strijd voor konin­gin en vaderland. Ze morrelen en prutsen. Stil. Mensen. Stomvervelend dat het gebouw zo aan de hoofdstraat staat. Want wie aan de weg timmert heeft veel bekijks. Maar ze gaan weer verder. De voorbijgangers hebben niets gemerkt. Hè hè, eindelijk is het slot geforceerd.  "Kijk, daar staat-ie".

            Tussen de benzinetonnen staat de brandspuit van de N.S. Nu voorzich­tig. Want de lage tonnen versperren de uitgang. En zo'n vat klinkt zo hol. De vaten worden aan de kant gestapeld. Een ton bevat nog benzine. Enige grote blikken worden ermee gevuld. Meenemen maar, niets voor de mof achterlaten.

            Daar rijden ze met hun buit over de weg. Duwen maar en vlug. Want straks is het acht uur, sperrtijd... Ze dragen witte banden om de arm, alsof ze van de luchtbescherming zijn. En de voorbijgangers, waartoe zelfs Duitsers van de Reichsbahn behoren, vermoeden niets.

Plotseling staat Henk stil, "Even wachten". Hij holt terug naar het brandspuit­huisje. Even later is hij terug. "De deur stond nog wagenwijd open", grinnikt hij. En weer gaat het verder.

 

            Even later staat de brandspuit in het magazijn van een bakkerszaak. Morgenavond wordt het transport voortgezet. Het is nu acht uur en na de sperr­tijd is het vervoer te gevaarlijk.

            De volgende avond zeulen we, nu met ons vieren, over modderige weg­getjes en paadjes naar een boer. Daar demonteren we de spuit en met de brand­slang krijgt de spuit een veilige schuilplaats.

            De moffen zijn gekomen. Ze willen de brandspuit hebben. Wel, die staat immers in de oude politiepost. En het brandspuithuisje krijgt weer bezoek. Weer wordt er aan het slot gemorreld. Hee, de deur is niet op slot. Met een zwaai gaat hij open. Leeg hok; lege vaten... sabotage? Donnerwetter...

 

 

            In onze stadswijk is weer een vreemde vogel neergestreken. Ach, vreemd is hij eigenlijk niet, want hij is één met ons in geest en streven. Toch hebben we hem nooit eerder gezien. Het is neef Frank uit Amsterdam. Het duurt niet lang of hij rolt van ons een shagje en drinkt mee van Ans' beroemde koffie.

            Hij is van de groep "Albrecht", een van de meest deskundige spionage­groepen uit ons land. Dit is voor onze inlichtingendienst een feit van belang, want onze gegevens kan Frank best gebruiken. En hoe sneller de berichten overkomen, hoe enthousiaster onze jongens ervoor werken.

            Ja, onze inlichtingendienst wordt op die manier steeds doeltreffender. Ook met de inlichtingendienst van R.V.V. hebben we contact gekregen. "Puck" is uit Baarn gekomen en heeft bij ons om een medewerker verzocht. Arie is nu de hele dag in touw. Overal, waar hij maar belangrijke gebouwen, geschutsop­stellingen of andere militaire installaties ontwaart, geeft hij zijn ogen goed de kost. Thuisgekomen maakt hij notities en tekeningen, die Puck regelmatig op­haalt. En dat het contact van deze spionagegroepen met onze bevrijders steeds beter wordt, ondervinden we dagelijks. Met elke dropping wordt onze wapen­voorraad vergroot. Het welslagen van die droppings is te danken aan het per­fecte werk van die spionagegroepen.

 

            Het is een genot om nu in ons arsenaal te neuzen. Allereerst stenguns met talloze houders, kisten vol sten-munitie, handgranaten, trottyl met slag en vuurkoord, tijdpotloden, brandbommen, nevenbommen, bandenbommen, enzo­voort. Zelfs nog een battle-dress in het zwart  (als overalls) en helmen behoren tot onze uitrusting. Het meest trots zijn we op onze bazooka, die bij een eventue­le strijd een prachtig antitankwapen zal zijn.

            Een van onze opslagplaatsen is onder de vloer van een onbewoond huis. We bezoeken onze opslagplaatsen alleen, als het strikt noodzakelijk is. Twee man halen weg wat nodig is voor sabotage, maar verder is dit verboden terrein. Dat ons arsenaal verboden gebied is, is echter niet genoeg bekend. De moffen hebben bijvoorbeeld op zekere avond dit sperrgebiet heel argeloos betreden. Ons huis, of liever, ons arsenaal krijgt inkwartiering, evenals zoveel andere huizen in de straat. Het zijn soldaten van de opstelling veldgeschut.

            Chris, een van onze K.P.-ers, heeft dadelijk gewaarschuwd. Wat moeten we nu? Als de moffen de opslagplaats onder de vloer ontdekken, zijn we alles kwijt. Chris en Jaap stappen er op af. Zij dienen zich aan als familie van de ei­genaar van het huis. Of ze even naar binnen mogen om het een en ander op te ruimen.  "Jawohl", is het antwoord van een der soldaten, die niet een van de kwaadste is. "Kommen Sie herein".

"Kijk", zegt Chris, "als u hier op de vloer stro wilt leggen en hier slapen wilt, zouden we graag het vloerkleed omkeren, anders wordt het zo vuil". O, dat vin­den ze best.  Ze zijn het er zelfs mee eens. Schmutzig mag het kleed niet wor­den. Het wordt omgekeerd. Een ogenblik kunnen de Duitsers het luik in de vloer zien, maar nauwkeurig kijken ze gelukkig niet... Het kleed wordt vastge­spijkerd en de zaak is klaar.

            Diezelfde avond slapen de moffen in het stro op de vloer, waaronder het sabotagemateria'al zich bevindt. Dat doen ze veertien dagen lang. Betere bewa­king hadden we niet kunnen hebben...

 

Van al het sabotagemateriaal zijn de brandbommen het meest populair. Niet omdat hiermee de meeste schade is toe te brengen aan de Duitse oorlogs­machines. Maar omdat het de handigste manier van saboteren is. Voorbereidin­gen zijn er niet voor nodig.

            Piet en Chris werken er het eerst mee. 's Avonds moeten ze gedurende een nacht voor de inlichtingendienst in de bres springen. Ze hebben een prach­tige nacht. Elke trein wordt genoteerd, elke auto wordt opgetekend. Maar als ze een auto optekenen, hoeven ze niet eens te kijken. Ze horen die vanzelf. Een zware knal, gevloek van moffen en een paar kapotte banden is het resultaat van een bandenbom. Ze komen de nacht best door. Zo spioneren is een slapeloze nacht dubbel waard.

            Piet is met dit vuurwerk zo in zijn sas, dat hij een avond later Rien invi­teert om ook een mee te doen. Ze zijn bij Rien thuis. Vlak voordat ze naar bed gaan, gaan ze er nog even uit. Een bommetje op de ene hoofdweg en een op de andere hoofdweg, die evenwijdig loopt aan de eerste. Piet is vlug terug. Rien heeft het moeilijk met binnenkomen. Voor het huis staan een paar Duitse wa­gens die bij de Noackfabriek vlees gehaald hebben. Dan maar achterom door de tuintjes. Maar op het laatste moment hebben ze hem opgemerkt. Een run door de tuintjes en hij is de moffen kwijt. Als ze naar bed gaan, horen ze de eerste knal. En deze moffen zijn heel erg woedend, want even later kondigen geweerschoten aan, dat ze op zoek zijn naar de saboteur.

            Weldra lopen ze om het huis heen, waar Piet en Rien verblijven. Het ene schot na het andere vuren ze af. Zijn het dezelfde moffen, die Rien straks door de tuintjes zagen gaan? Ze gaan verder, al schietend.

            Dan een tweede knal. Dat is de tweede bandenbom. O, wat zijn de mof­fen zenuwachtig. Overal maar kleine speldeprikjes, maar genoeg om ze het le­ven zuur te maken.

 

            Jaap springt met de bandenbommen het mooiste om. Als hij het doet, moet hij er op zijn minst zelf bij zijn.

Hij fietst bij de overweg. Kijk, daar komt een grote truck van de Deutsche Reichsbahn aan. Wat een prachtige banden. Elk wiel een dubbel stel banden. Hij fietst nu vlak bij de auto die langzaam de bocht bij de overweg neemt. Werktuiglijk grijpt hij naar zijn zak. Ja, hij voelt het projectiel. Glad, plat en rond glijdt het bommetje als een sjoelschijf in zijn hand...

            Vooruit dan maar. Hij rijdt nu precies naast de achterste wielen In een boog werpt hij zijn kleine bommenlast onder de diepgenokte autobanden.  Bij­na gelijktijdig verdooft een geweldige knal zijn oren. Zelfs de luchtdruk brengt hem een weinig uit zijn evenwicht. Maar wat een prachtig gat in die kolossale banden! Hij kan er zijn hoofd wel in steken. Maar wat is dat? Rijdt hij nu zelf ook op de velgen? Ja, de banden van zijn gepikte moffenfiets zijn ook lek. Hoe kan dat? Zo zie je maar: gestolen goed gedijt niet.

            Hee, dat is zielig, twee voorbijgangers hebben ook als geprofiteerd van de splinters. Ze kijken nu eens naar de auto, dan weer diepzinnig naar hun ei­gen lekke banden. En je gaat toch niet je eigen glazen ingooien?

 

            Jaap tippelt naar huis. Hij rekent: twee binnen- en twee buitenbanden naar de haaien. De rest van de autobanden vol splinters, dus ook lek. Zijn eigen banden doorzeefd. Dan maar weer een moffenfiets pikken. Hij komt tot de con­clusie, dat hij toch de leiding heeft. In de kuit van zijn rechterbeen voelt hij een hete schrijnende pijn. Ook al bomsplinters. Maar dat telt niet mee. Zijn kuiten zijn immers nog niet lek.

            Met zijn lekke banden is Jaap thuisgekomen. Met Gerrit en Rien pro­beert hij de banden te maken, maar na een grondig onderzoek tellen ze in elke band minstens vijfentwintig gaatjes. Dat is onbegonnen werk. De buitenbanden zijn nog te gebruiken, al zijn ze niet best meer, maar de binnenbanden zijn weg. Wat nu? Ze kijken elkaar aan. Ze denken alledrie hetzelfde: motorfietsen vor­deren. Ja, dat is beslist nodig, want ook de koeriersters zijn er bijna doorheen. En van je medeburgers moet je het op 't ogenblik niet hebben. We weten ze nog wel te staan, fietsen met goede banden. Maar daar moet je niet om komen. Een fietsenband hebben ze voor de goede zaak niet over. Zelfs een schriftelijk be­wijs, dat ze andere banden of een andere fiets zullen krijgen, kan ze er niet toe bewegen iets van die aard af te staan. Je moet je in deze tijd maar niet nijdig maken. Toch is het wel eens verdrietig als je uiteindelijk de moffen er met de bedoelde fietsen vandoor ziet gaan.

En vorderen op de manier van de moffen staat ons tegen.

 

            Ab heeft het eens geprobeerd. Hij had geen fiets meer en moest tot ach­ter in Leusden het geld voor ondersteuning rondbrengen. Dat nam hij niet lan­ger. Zonder fiets kon hij het niet langer bolwerken. Altijd maar lenen en van de goedwillendheid van anderen afhankelijk zijn; hij was het zat.

            Op een eenzame weg was er wel wat te vorderen. Een marechaussee moet het bezuren. Zodra hij het pistool van Ab ziet, geeft hij zijn fiets over. "Een politieman krijgt wel weer een dienstfiets", denkt Ab. Maar lang heeft Ab er niet plezier van.

            Een maand later is hij weer met kwitanties onderweg. Hij geniet van het mooie weer en van zijn fiets. Hij wordt op zijn schouders getikt. "Afstappen", hoort hij zeggen. Hee, die vent heeft hij meer gezien. Geen wonder. Het is de marechaussee van een maand geleden. Maar nu zijn de rollen omgekeerd. Nu kijkt Ab in de loop van een pistool. Hij moet mee. Ach, er valt met die man te praten. Weldra is hij ervan overtuigd, dat Ab geen ordinaire fietsendief is. Maar Ab is de fiets kwijt en kan lopen.

 

            In die tijd zoeken we dan ook onze toevlucht tot een andere methode. Wubbo en Gerrit zijn de eersten, die het goede voorbeeld geven. Ze nemen bei­den een fiets van de mof mee. Sindsdien rijden onze koeriersters op moffen­banden. Maar de kansen worden steeds minder en de risico's steeds groter.

            Ondanks deze bezwaren zullen Jaap en Rien het deze middag gaan pro­beren. Daar gaan ze. Gerrit met een pet, waarvan de klep bijna de helft van zijn gezicht bedekt. Jaap met een hoed, die hem tot een gangster uit Chicago stem­pelt en Rien getooid met een pet en een bril. Zo'n vermomming kan nooit kwaad. Ze mochten je later nog eens herkennen.

            In de stad is het druk. Mooi weer heeft nog vele mensen naar de stad gelokt. De drie fietsendieven zijn weldra opgenomen in de mensenmassa. Jaap loopt vooraan. Hij kijkt en spiedt of er niks te pikken valt. Aan de andere kant van de straat loopt Gerrit. Hij fluit een wijsje met geestdrift, alsof er niets op de wereld zo belangrijk is. Maar terwijl zijn geluid schel tegen de huizenwanden optrilt, gluren zijn ogen onder de grote klep in de rondte.

            Voor een etalage, waar onbeheerd zonder slot een moffenfiets staat, blijft hij staan. Hij kijkt naar binnen. De mof staat bij de deur van het byoute­riewinkeltje. "Koopt zeker een presentje voor zo'n moffenmeid". Gerrit steekt dwars de straat over, nog steeds fluitend. Van de overkant vandaan ziet hij de mof dieper het winkeltje ingaan.  Intussen nadert Rien. Hij heeft Gerrit geen ogenblik uit het oog verloren. Hij weet al, welke fiets Gerrit bedoelt. Hij wacht alleen nog maar op een sein. Dan gaat Gerrits hoofd op en neer. Dat betekent dus: Ja, je kan je gang gaan. De zweetdruppels staan op Riens voorhoofd. Zou Gerrit goed gekeken hebben? Zou hij... Kom, niet twijfelen, niet treuzelen, dan gaat het mis.

 

            Hij grijpt de fiets, springt erop en draait de eerste zijstraat in, die hij te­genkomt.  In de stroom van mensen en fietsen botst hij nog tegen een fietser op, maar hij komt nog weg. Net op tijd, want daar komt de bestolen mof uit de winkel. Gerrit heeft bij de botsing de adem ingehouden. Als dat maar goed gaat. Van schrik vergeet hij helemaal te fluiten. Maar gelukkig. Rien is weg. En nu hij ook maar weg. Want de Duitser, die zijn fiets kwijt is, gaat heftig tekeer en wat heb je aan al dat lawaai?

 

            Maar nog voor hij de straat uit is, ziet hij een SS-er een winkel binnen gaan. Heel listig heeft deze meneer een onopvallend slot aan ketting en spaken bevestigd. Gerrit kent echter dat trucje allang. Hij zal er heus niet op springen en proberen weg te fietsen. Dat gaat immers toch niet. En de mof heeft te veel vertrouwen in dat slot. Hij gaat een winkel binnen, waar luiken voor de ramen hangen. "Ziezo,  uit het oog, uit het hart", denkt Gerrit. Voor zo'n juweel van een fiets wil hij wel een misdaad doen en ook nog zonder enige moeite. Hij tilt het achterwiel op en loopt ermee weg. De eerste zijstraat zal hij maar nemen, want daar timmert Vonk. Allicht heeft die goede kennis wel een hamer en nijp­tang.

 

            Rien is nog maar net thuis of daar komt Gerrit al aan. Dat zijn dus twee fietsen. Hoe zal het met Jaap aflopen? Jaap is verstandig geweest. Hij heeft al gauw bemerkt dat Rien en Gerrit fortuinlijk zijn geweest. Twee radeloze mof­fen, die de Feldgendarmerie met veel achs en wees vertellen, waar de schand­daden bedreven zijn, zeggen Jaap al genoeg. Twee op een middag is voldoende. Naar huis, want daar zal werk genoeg zijn.

            Jaap heeft gelijk. Nu de handen uit de mouwen. In een van de zaaltjes bij Ans is het weldra een warboel van wielen, frames, banden-schroeven en sleutels. Maar voor de jongens zit er lijn in. Deze damesfiets moet die wielen en die banden hebben. De andere damesfiets krijgt die banden. Van de overge­bleven banden en wielen kan nog een reserve-fiets gemaakt worden. De koe­riersters kunnen tevreden zijn. Ze hebben weer beschikking over fietsen met goede banden, waarmee ze het hele land weer rond kunnen rijden.

            Ons verzet gaat voort, maar ook de vijand gaat door. Het lijkt wel, of die grijpende, scheurende klauw, die elke dag weer nieuwe wonden rijt, ons volk nooit meer los zal laten. En we wachten in smart op onze nieuwe vrien­den, die over de geheimzinnige wateren van onze grote rivieren komen. In deze bittere maanden wordt het nachtdonker over Holland.

            In deze donkere tijd, waarin ons land zich poogt los te wringen uit de wurgende greep van het heidense, barbaarse tirannenvolk, is er een groep in ons volk, die meehelpt die verstikkingsdood te versnellen. Het is de bende van zwarthandelaren. Als aasgieren zijn ze er op uit om zich te goed te doen ten koste van het weerstandsvermogen van ons volk. En het is onrustbarend, zoals deze groep zich steeds meer uitbreidt.

 

            We weten, dat ook hier voor ons een taak ligt. Uitroeien moeten we dit on-Nederlands gedoe. Voorzover dit in ons vermogen ligt. Ab is de eerste die er op uittrekt. Hij gaat met Niek van de waterpolitie naar Spakenburg. In de lage landen aan het IJsselmeer, dichtbij de Eem, is een boer die zich baadt in de weelde. Nog maar steeds hoopt hij de goederen op, die hij van door de nood gedwongen burgers krijgt in ruil voor wat boter.

            Midden in de nacht kloppen ze aan zijn deur, de jongens van de K.P. Een grote boerenwagen wordt volgeladen, stampvol. Allemaal zwart. Een hele nacht hebben ze zo werk. Dan verdwijnen ze, voor het krieken van de nieuwe dag. Ze laten een geradbraakte boer achter. Hij weet nu, dat men van dik hout planken zaagt.

 

            Ook in onze stad zelf en in de onmiddellijke omgeving is er veel schoon te maken. Maar naast de voorzichtigheid, waarmee we onze plannen moeten volvoeren, eist dit werk ook grote nauwkeurigheid in de voorbereiding. We we­ten heel goed, dat er boeren beschuldigd worden van zwarte handel, terwijl ze er in werkelijkheid geen schuld aan hebben. Gaan we op pad, dan moeten we er zeker van zijn dat het verstokte profiteurs zijn.

            En om voorzichtig te zijn in deze tijd, moet je dikwijls omslachtig te werk gaan. Als je met tien man een boer in Hamersveld bezoeken wilt, kun je er geen gezellige fietstocht van maken. Hoe moet je daar nu onopgemerkt ko­men? Het is gemakkelijk, als je er allemaal bekend bent, maar dat is slechts voor drie man het geval. Dat krijg je als je een K.P. hebt die bestaat uit jongens die overal vandaan komen: Deventer, Drente, Bussum, Rotterdam - en zo kun je wel doorgaan.

 

            We zullen in groepjes van twee op weg gaan,  zo min mogelijk argwaan wekken. Zo gaan we dan. Langs verschillende wegen zullen we even voorbij een kruispunt verzamelen.

            De moffen zouden vanavond een goede slag kunnen slaan. Tien K.P.-ers, met revolver en pistool bewapend,  rijden over de openbare weg. Jaap en Piet hebben zelfs een sten in de tas onder hun hoede. Lex rijdt in het uniform van de gemeentepolitie. Hij gaat vooruit. Bij het kruispunt zal hij wachten. Weldra is de afgesproken plaats bereikt. Twee aan twee komen ze aanfietsen.

Aan de kant van de weg, in het donker van struiken en bomen, wachten we tot ze er allemaal zijn. Maar op de afgesproken tijd, waarop we verder zullen gaan,  zijn we nog maar met zijn achten. Lex rijdt wat heen en weer. Hij is wat onge­duldig. Waar blijven die twee nou? Aangehouden? Pech? Of verdwaald? Tien minuten gaan voorbij. Een kwartier. Dan, eindelijk, daar zijn ze. Ze waren ver­keerd gereden, vandaar hun late komst. Nu maar verder.

 

            Ze zijn er allemaal. Hee, negen, waar is de tiende? O, het is Lex, die ontbreekt. Die stommerd staat zeker nog bij het kruispunt. Heeft zeker de twee laatkomers niet voorbij zien gaan. Thijs en Ab zullen teruggaan om hem op te halen. De rest fietst door.

            Over het landweggetje, waar we in de mistroostige koude avondlucht geen voorbijgangers ontmoeten, fietsen we voort. Twee aan twee, met een be­hoorlijke tussenruimte. Bij onraad zal een van de voorsten keren. En er is on­raad...

            Juist als we dichtbij onze gastheer zijn, die we vanavond een bezoek zullen brengen, horen we gerucht. Het zijn vanzelfsprekend weer moffen. Te­genover een boerderij schieten we een zijweggetje in en zoeken een schuil­plaats in een donkere hoek van een oud gebouw. Vlagen van moffenstemmen en van voertuigen bereiken ons oor. Dan zijn ze voorbij. We besluiten in de veilige duisternis van het gebouw maar te wachten. Een van ons zal aan de weg Ab, Thijs en hopelijk ook Lex opvangen. We wachten, maar geen enkel geluid kondigt de komst van de laatkomers aan. We zijn teleurgesteld dat alles zo slecht loopt. Want de tijd gaat door. Het zal zo langzamerhand te laat worden om onze overval nog uit te voeren. Want als de boer met vrouw en kinderen en knechten naar bed zijn behoeft er maar een vanuit een slaapplaats in een der bijgebouwen te ontsnappen en we lopen gevaar. We kunnen de hele omtrek van de boerderij niet zo omsingelen, dat we elke ontvluchting zullen waarnemen. En als Lex niet op komt dagen, denken we er zelfs niet meer aan. Weer hebben we een hoop risico voor niks gelopen. Al de gevaren, al de moeiten zijn voor niets geweest .

Wat moeten we in de donkere avond,  in het eenzame boerenland? Wie zal straks tien man onderdak verlenen? In deze gevaarlijke tijd op dit late uur? We voelen ons als verstotenen, maar dan ook slechts een ogenblik.

            Welke K.P.-er verliest er nu de moed bij zo'n kleine tegenslag? De Hol­landse humor wint het al snel van de ongezellige teleurstellingen. Een paar nieuwsgierige boerenjongens geven vooral de gewenste afleiding.

            Ze komen het kleine zijweggetje af. Als vrije Hollandse boeren storen zij zich niet al te zeer aan zoiets als sperrtijd. Al is het donker, als echte zonen van het vlakke land, waar ze geboren en getogen zijn, voelen ze dat er iets in hun omgeving niet thuishoort. Hun scherpe ogen boren in de duistere hoek waar zij staan. Zien ze daar een fiets staan? Weifelend om het vreemde van het geval, maar toch nieuwsgierig, stappen ze er op af. Maar als versteend blijven ze staan, als plotseling vanuit die geheimzinnige hoek twee donkere figuren naar voren schieten. Een kerel in een leren jas vraagt met een basse stem, die, al is het in zuiver Hollands, toch om zijn bevelende toon Duits aandoet, wat of ze nog zo laat buiten moeten. Of ze dan nog niet weten, dat het totale oorlog is. Of ze soms "eingesperrt" willen worden. De persoons­bewijzen, vlug...

De andere kerel, die met een revolver in de hand staat, bekijkt met behulp van een zaklantaarn hun papieren. Zwijgend geeft hij ze terug, terwijl de andere blaft, dat ze maar gauw moeten verdwijnen, en dat bij een toekomstige tweede controle ze er niet zo licht af zullen komen.

 

            Ziezo, dat is voorbij. Die pottekijkers zijn geloosd. Toch maakt zo'n klein voorval het risico groter. Waar blijven de jongens toch? Het begint er niet aanlokkelijk uit te zien. In de verte klinken schoten. Ach, we weten het wel, dat is in deze tijd niets bijzonders. We hebben op onze nachtelijke tochten wel meer gehoord. Er zijn tal van geluiden, die je anders nooit bemerkt zou hebben. Nu zijn je gehoororganen zo gespannen, dat je niets ontgaat. En je vraagt je af, wat die schoten betekenen. Zou Lex soms slaags geraakt zijn? Je spreekt na­tuurlijk al die veronderstellingen niet uit. Waarom zou je je vrinden ongerust maken? Toch weet je intuïtief, dat de andere jongens ook zo aan het gissen zijn.

 

            Eindelijk komt er verademing. Het zachte gerucht van fietsbanden over het grint van ons zijweggetje vertelt ons, dat er nieuws op komst is. Het is de wacht bij het kruispunt, die Ab en Thijs meebrengt. En Lex...  is nergens te vin­den. De verzamelplaats bij het kruispunt was eenzaam en verlaten.  Nog lang gewacht, maar geen Lex, die teruggekomen is.

            Wat nu? Blonde Jaap weet uitkomst.  Hij kent een boer in deze buurt,  een kennis van hem, die wel zal helpen. Hij fietst erheen en komt met het blijde bericht, dat hij onderdak voor ons heeft. Met een gesmoord hoeraatje wordt zijn boodschap ontvangen. "Leve de gastvrije boer". Blonde Jaap heeft de toe­stemming van de boerin verkregen en deze heeft het bij nader inzien niet zo erg nodig gevonden, haar man erin te kennen, want die verkeerde al in het land der dromen. En het is zo wreed hem in zijn eerste slaap te storen. Ze weet zeker, dat hij het goed zal vinden.

            Daarom wijst ze ons met een gerust hart een slaapplaats aan. Boven de koeienstal in het hooi kunnen we ons bedje spreiden. Na ons welterusten ge­wenst te hebben, schommelt ze de deel af, terwijl ze haar hoofd schudt over de vreemde tijd van tegenwoordig. Toch is ze blij zulke jongens van dienst te kun­nen zijn. Ze heeft een warm vaderlandslievend hart en ze heeft zich in moeder­lijke bezorgdheid over ons ontfermd. Weldra ligt ze ook in het warme bed en reist eveneens naar het land der dromen.

 

            Wij kunnen de slaap niet vatten.  Hoe kan het ook anders. We zijn met onze gedachten bij Lex. Wat zou hem gebeurd zijn? We spreken er over, maar het brengt ons geen stapje verder. We springen op de deel, roken een sigaret en laten onze gedachten meedwarrelen met de grillige rookslierten in het verlegen licht van de spaarzame stallantaarn.

            Hee, wat nou? Een ruwe hand grijpt een van ons op onzachte manier in de kraag en een heetdriftige stem schrikt ons op uit onze verwarde gedachten­wereld. Een bom in de huiskamer had ons niet meer kunnen doen schrikken. Wie belaagt ons daar vanuit het donker? Een rinkelende emmer valt. Onze aan­gevallen vriend verweert zich heftig. Wat betekent dit alles? Het schemerdon­ker verbergt de figuur, maar dan horen we, klaarder dan eerst zijn stemgeluid: "Jaân en Kie-ies... Jaân en Kie-ies..."    Daar zien we het eensklaps. De zaklan­taarns flitsen aan en de bundels licht schijnen op een vreemdsoortige figuur. Het is de boer. Daar staat hij in zijn pilobroek op zijn zwarte afgezakte kousen. Met zijn galmende stem is hij als een heldentenor, die zijn manschappen te wa­pen roept.  "Jan en Kees", betekent het, "kom helpen, dieven, inbrekers". Maar Jan en Kees laten hem schreeuwen. Die lelijke slaapkoppen. Zal hij nog harder schreeuwen, of met een greep ten aanval gaan?  't Is om leed van te worden. Maar het stelletje dieven schijnt het niet erg te menen. Hij hoort zoveel kalme­rende woorden, dat hij eindelijk wat meer gerustgesteld is.

            Krakend gaat dan een deur open. Daar verschijnt nummer twee in het ballet. Is het de boze heks? Welnee, het is juist de goede fee, die ons onderdak verschaft heeft. Met de blaker in haar hand, het mummelmondje zonder het valse gebit en de ontstelde uitdrukking op haar gelaat, ziet ze er in haar nacht­gewaad wel wat angstaanjagend uit, maar het is gelukkig ons vriendelijk boe­renmoedertje dat de vrede definitief komt herstellen. Maar waarom ze hem toch niet wakker gemaakt heeft, dan had hij ervan geweten. Ja, dat zegt hij nu achteraf, maar zou hij het heus zo leuk gevonden hebben als ze hem wakker had gemaakt.

Gezellig kibbelend trekken ze af.

            En als ze door de krakende deur verdwijnen met de flakkerende blaker in haar handen en hij met zijn bruin-witte nek boven zijn boerenborstrok, dan is het als een knusse scène uit een onvervalst oudhollands toneelstuk.

 

            Met de napret van die welkome intermezzo komen we geeuwend, ro­kend en half-slapend de nacht door.

De sperrtijd is nog niet voorbij of de eerste twee verlaten in alle stilte het boe­renerf. Ze worden spoedig gevolgd door de andere vrienden.

            Anderhalf uur later liggen we allemaal op een oor en halen we in, wat we deze nacht tekort zijn gekomen. Toch is onze laatste gedachte voor we in­slapen: waar zou die Lex toch zijn? Het is al elf uur in de morgen. De zon zendt haar stralen in milde gloed over de wijde voorjaarswereld. Haar licht dringt tot in alle slaapkamers door, zelfs de kierende gordijnen kunnen haar schijnsel niet tegenhouden. De meest verstokte langslaper opent de ogen door haar verblindende glans.

            Maar de twee helden, die de verblindende glans van de overwinnende zon nog tarten, zijn Ab en Rien. Lex, die in deze vroege morgen aan hun bed staat,  ziet met welgevallen neer op de slaapsheid van dit uitverkoren tweetal, dat zo lang mag en kan slapen. Dan, hoe onbegrijpelijk wreed, schudt hij ze wakker.

Wezenloos, met kierende ogen, kijken ze hem gapend en rekkend aan.

Hun ogen sluiten zich echter weer, hun hoofden nestelen zich warm in het kus­sen. Maar dan schijnen ze zich te bedenken. Hun ogen sperren zich open, met een ruk zitten ze overeind en klaarwakker zeggen ze: "Lex! Waar heb jij geze­ten?" Ze leven weer. Wat de zon niet bereikt heeft, heeft Lex klaargespeeld.

 

Hij vertelt.  Hij stond op het kruispunt, zo'n vijftig meter bij de jongens vandaan, toen het gebeurde. Twee marechaussees rijden langs hem heen. Over hun schouder heen kijken ze nog eens extra achterom. Wat moet die persoon in politie-uniform daar? Maar ze rijden door. Gelukkig, want zo'n belangstelling komt vanavond niet te pas. Maar net, als hij al niet meer aan ze denkt, staan ze voor hem. Ze zijn omgekeerd. Ze vertrouwen hem niet.

            Waar hij vandaan komt? Uit Amersfoort? Wat moet hij dan helemaal hier? Papieren... Lex is verontwaardigd. Zulke dienstkloppers, en dat in deze tijd. "Dat is bij ons onder collega's de gewoonte niet, om elkaars papieren te vragen" is zijn afwijzing. Dus wil hij ze niet tonen? Dan zal hij mee moeten naar Amersfoort. Dan kan hij zich daar verantwoorden. Best, hij zal meegaan.

 

            Met z'n drieën rijden ze weg, Lex in het midden. Hij zal geen lawaai maken, maar een kogel langs hun hoofd uit zijn Amerikaanse 11 mm., hee, hij zou er bijna zin in hebben. Maar rustig fietst hij naast hen voort, alsof hij er vast niet tegenop ziet zich te verantwoorden. Hoe meer ze echter het centrum van de stad naderen, waar het politiebureau gelegen is, hoe onzekerder Lex' be­geleiders van hun gevangene worden. Zou hij toch...? Opgepast...

            Ze moeten linksaf de laatste straat in voor het hoofdbureau. Ze minde­ren vaart. Nee, ze zijn langzamerhand overtuigd van de gedweeheid van hun gevangene. Daar heeft Lex op gerekend. Hij heeft zich gedragen als iemand, die onrecht aangedaan wordt, en die zeker niet aan ontvluchten denkt. Als zijn begeleiders vaart minderen, ziet hij zijn kans schoon. In plaats van vaart te minderen en linksaf te gaan geeft hij vol gas en gaat rechtuit. Zijn voorsprong is zo groot, dat zijn achtervolgers hem weldra kwijt zijn.

Dat is zijn verhaal. Vandaar zijn geheimzinnige verdwijning...

 

            De twee langslapers knikken nadenkend. Dat was dus de oorzaak van de mislukking. Nogal eenvoudig en minder verontrustend, dan ze gedacht had­den. Enfin, de volgende keer beter.

 

 

            De volgende keer gaat het ook beter. We gaan nu niet met de hele K.P. van Amersfoort. Met vier man gaan we er op uit. Dus weer naar een Zwarte Piet. Het is een vader met drie zoons, die een afstraffing verdient. Het zijn bur­gers uit een straat in onze wijk.

 

            De vader is niet de ergste boosdoener. Vooral de zoons zijn de schuldi­gen. We hopen deze drie heren bij de kraag te grijpen. Maar we hebben pech. Als we opengedaan worden, is het pa die ons binnen noodt. Als we de kamer binnen stappen, die door een paar olielampjes verlicht wordt, ziet pa pas, wie de heren zijn. Aan de schrik op zijn gelaat is te zien, dat hij ons helemaal niet verwachtte.

En dat we geen zwarte jongens zijn, die een mazzeltje hebben, valt hem vast erg tegen. Zijn vrouw is helemaal geschrokken van die kerels met hun maskers voor. Ze huilt van angst, hoewel de bezoekers uitdrukkelijk betogen, dat ze geen dieven en ook geen moordenaars zijn. Door de keukendeur komen nog meer bezoekers. Zelfs als zijn drie zoons thuis zouden zijn, konden ze nog niets beginnen. Want angstig blikt hij in de dreigende lopen van vier revolvers.

 

            "Waar zijn uw drie zoons?" is de eerste vraag die hij te horen krijgt. O, dus ze komen niet om hem. Wel, zijn zoons zijn niet thuis, dat zien de heren toch?

Maar hij weet al snel dat hij met ontwijkende antwoorden steeds verder van huis raakt. Dan vertelt hij, dat twee van zijn zoons naar de IJssel zijn voor voedsel. Maar het is toch niet zo onschuldig als het lijkt. Want de heren reizen per "Fahrzug". Dat is het voordeel als je voor de moffen werkt.

 

            Ze hebben maar een luisterrijke verzameling handdoeken, theedoeken en dergelijke meegenomen, daar kun je kolossaal veel voor ruilen. Vooral voedsel. Boter, kaas, spek en eieren, en als het niet anders kan, aardappelen. Daar kun je in Amersfoort best zaken mee doen. Ze betalen je er fabelachtig hoge prijzen voor. Als je maar slim bent, dan is deze tijd zo beroerd nog niet... Onze handen jeuken.

 

            Jaap en Thijs gaan het huis doorzoeken. Wat we verwachten, gebeurt. Alle voorwerpen, waarmee te handelen valt, vinden we opgeborgen. Vooral de tabak en de sigaren zijn geliefde artikelen.

            Hoe moet alles mee? Een karretje wordt volgeladen en Jaap en Thijs trekken. Juist wil Ab, die met Rien achterblijft, de vader eens flink onder ogen brengen, wat er aan hem en zijn zoons mankeert, als er gebeld wordt.

            Dries, ontsnapt het aan moeders mond. Vader wil al gedienstig opstaan om gewoontegetrouw de deur open te gaan doen. Maar een duw tegen zijn borst is al genoeg om hem te overtuigen, dat een ander al zijn portiersbaantje overgenomen heeft.

            Ab opent de deur. Daar komt Dries aan. Een prachtig vloerkleed draagt hij op zijn schouder. "Ik zeg goeienavond", klinkt het Ab vrolijk tegen. Hij heeft weer beste zaken gedaan. "Kun je niks zeggen?" vraagt hij Ab als deze geen antwoord geeft. Een zaklamp schijnt door het gangetje, en nu ziet Dries iets, wat hij helemaal niet verwacht heeft. Het is vader of moeder niet, ook niet een van zijn broers. In het licht van Abs zaklantaarn is de verandering op Dries' gezicht een aanblik waard. Zijn ogen blikken met ontzag naar Abs legerpistool. Maar een por in zijn ribben laat hem geen tijd tot overpeinzing. Met zijn han­den in de nek stapt hij de huiskamer binnen. Het vloerkleed mag zolang in de gang blijven liggen.

 

            Dries is het type van een gentleman-boef.  Hij heeft al verschillende malen gezeten. Maar toch gaat hij als heer gekleed. Zijn sportpak is zelfs nu nog van goede snit. Zijn lichte regenjas half open, met een ceintuur die achte­loos achter hem aan slingert en een alpinopetje, dat onverschillig zijn blonde haren siert, doen vermoeden dat Dries smaak heeft. Je kunt zien dat hij het le­ven aankan.

Maar behalve smaak heeft Dries ook karakter. Want als Ab even later de reden van onze komst vermeldt, is Dries niet uit het veld geslagen. Zeker, hij is het met de jongens (daar bedoelt hij Rien en Ab mee) eens, dat zijn broers het zout in de pap niet waard zijn. Hij heeft ze als oudere broer al vaak verteld, dat ze het verkeerde pad opgaan, als ze steeds maar voor die moffen blijven werken. Maar daar is hij toch niet verantwoordelijk voor... Van hem kunnen ze nooit zeggen, dat hij voor de moffen gewerkt heeft. Hij heeft zelfs nooit wat aan die rotlui verkocht. En dat hij zo nu en dan wat handel drijft? Hoe moet hij anders aan de kost komen? Hij kan als onderduiker toch niet van de wind leven?

 

            Werkelijk, Dries verdedigt zijn beleid in grootse stijl. Hij is in het recht­praten wat krom is bijna de evenknie van Max Blokzijl.

Je zou werkelijk onder de invloed van zijn woorden komen. En hoewel het ons meestal niet zint, dat onnodige gepraat,  luisteren we nu met veel belangstelling naar dit klemmende betoog. Maar intussen wordt er door ons stevig doorge­werkt.

"Wat is dit, Dries?" onderbreekt Ab even de propangandaspeech, terwijl hij de redenaar fouilleert. Hij haalt wat bankbiljetten tevoorschijn. "O, dat zijn een paar centen..." antwoordt Dries even weifelend. Het is ongeveer driehonderd gulden, die achteloos uit Dries' vestjeszak staken. Nu verhuizen ze naar de broekzak van Ab. Goed voor het N.S.F.  "Dat is een aardige manier", bromt Dries,  "ik geloof dat ik het ook maar zo ga doen". Maar Ab raadt het hem niet aan. Daar komt nog bij, dat hij het dan zou moeten doen bij collega's van het zwarte gilde - en zoiets doe je je vrienden toch niet aan.

            Dries schijnt Abs redenering niet te horen, want hij heeft een nieuw ge­zichtspunt ontdekt. "Toe jongens", smoest hij, "kunnen jullie mij ook niet ge­bruiken? Jullie weten,  ik ben zo verlegen nog niet”.

We zijn geroerd door zijn woorden en we zijn gevleid... Dries ziet zelfs wat in ons werk..

            Als we het huis verlaten, ligt er een vloerkleed over Abs schouder. Een buitenstaander, die Dries naar binnen en ons naar buiten zou hebben zien gaan,  zou vermoeden dat we een mooi kleedje op de kop getikt hadden. Maar dat hebben we ook. En Dries heeft er een goede prijs voor gehad, misschien wel meer dan hem lief was.

 

            Zo voeren we onze strijd tegen de zwarthandelaren. Een werk, dat ons veel gevaar en risico's brengt. Op een avond zitten we zelfs met tien man mid­den in de stad na sperrtijd. Door een bepaalde omstandigheid kan een overval niet doorgaan. En het feit, dat we maar weinig Amersfoortse K.P.-ers bezitten, wreekt zich weer. Ze zijn te weinig bekend om ergens aan te kloppen.  Hoe ko­men we zonder brokken thuis? Het merendeel gaat naar huis, dwars door de ge­vaarlijke stad. Zulk risico loop je, terwijl het resultaat nihil geweest is. De K.P.-ers uit onze wijk bellen bij een vertrouwde kennis aan. We worden vriendelijk ontvangen. De reden die we opgeven van ons late bezoek, is wel enigszins an­ders dan de werkelijkheid, maar de loyaliteit van deze mensen is buiten be­schouwing.

            Even later zitten we met de twee gastheren gezellig te kaarten. Weinig vermoeden onze gastvrije vrienden, welke moordwerktuigen in onze zakken zitten. Bang hadden ze echter nooit behoeven te zijn, want we kunnen tegen ons verlies.

            Het risico van de bestrijding van deze afschuwelijke wandaden onder ons volk, nemen we. We voelen het, we moeten deze zwarte vloedgolf van mis­daden een dam opwerpen. We weten dat het een hopeloze strijd is. Maar zo is immers ons hele verzet? Dit mag ons niet ontmoedigen. Het is een dure plicht, een taak, die God ons op de schouders legt. Zo willen we ook dit in geloof vol­brengen.

 

 

            Wie meent, dat tijdens deze overvallen het andere werk stilligt, is er glad naast. Er is intussen hard aangepakt. Negentig ton aardappelen heeft Kees met zijn helpers aan de man gebracht. Dat klinkt temeer ongelooflijk, als we bedenken, dat de moffen al het mogelijke doen om het westen van Nederland uit te hongeren.

            En door de wijde kring, die ongewild met deze distributie bekend is, zijn de gevaren die met deze voedselvoorziening gepaard gaan, legio. Van de groente is er tot nog toe acht ton afgeleverd. Ook een prestatie als je bedenkt hoe moeilijk die te krijgen is. Koeien worden nog steeds geslacht, twee per week. En meel is er voor drieduizend pond afgeleverd, ongeacht hetgeen we in binnen bij de bakkers hadden uitgezet.

            Maar het mooiste resultaat heeft Kees sinds veertien dagen bereikt. Al twee weken lang levert Spakenburg ons duizend pond paling. Landwacht en mof ten spijt, bereikt deze kronkelende etenswaar de huizen van stakers en ver­zetsmensen.

 

            In die omvang is onze voedselvoorziening een geweldige bijdrage tot de instandhouding van het verzet. Deze omvang eist veel van ons. Maar het en­thousiasme is niet te doven. Alles helpt mee, als er soms geen doorkomen aan is. Zelfs de jongens, die de hele nacht voor de I.D. gewerkt hebben, vergeten dan hun slaap en helpen met de distributie. Alles is dan in de weer; tot de koe­riersters, de K.P.-ers en stencillaars toe. Zo moet het ook gaan, vlug in tempo. Voor iemand zou kunnen gissen wat er aan de hand is, moet het al gebeurd zijn.

            En nu de lente nadert en we de boeien van de winterse kou verbroken zien, is er iets dat ons werk extra bezieling geeft. Ja, we voelen het, dat er met de komst van de lente iets gebeuren zal. Er hangt een verwachting van bijzon­dere gebeurtenissen in de lucht. Onverwacht kan het al niet meer zijn, want een blik op de oorlogskaart zegt voldoende. Duitsland wordt van alle zijden be­dreigd door massale legers.  Het kan niet anders, of de oorlog moet ten einde lopen. Toch, hoewel we weten dat het snel afgelopen zal zijn, kunnen we het bijna niet geloven. Er is al zo lang gewacht. Zo vaak hebben we al gedacht, dat het zou gebeuren. En de smaak te zullen proeven van de zoete vrijheid is voor ons zo onwezenlijk.

            Maar de overwinningen van de geallieerde legers moeten ons immers wel overtuigen... Nog een flinke stoot van de legers in oost en west en het mof­fenland zal wankelen. Wanneer komt die stoot? We leven in gespannen ver­wachting.

            In deze tijd van wachten op de eindstreep, is het wel eens moeilijk om je in toom te houden. Je zou wel eens zin hebben om die moffen en vooral die landverraders openlijk te laten merken, dat ze op hun achterste benen staan. Maar juist nu is uiterste voorzichtigheid geboden. Zolang er moffen zijn, is er gevaar. Als we soms mochten denken, dat hun komende nederlaag hun zou ver­slappen, dan hebben we het mis. Ze zijn als katten in nood, die rare sprongen doen. Ze houden opnieuw razzia's, vorderen fietsen, dekens, kleding, huis aan huis. De huiszoekingen en arrestaties die ze verrichten zijn er een bewijs van, dat wilde woede hen bezielt, nu ze zien dat hun nederlaag vaststaat. Nee, ver­zachting van de Duitse bloedplakkaten hebben we niet te verwachten. Daarom opgepast... het zou jammer zijn, als we met de haven in zicht schipbreuk zou­den lijden.

 

 

Laatste aanpassing op 24 sept 2014

 

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar

 

 Enschede in 40-45

beheer