Onze strijd in de bezettingstijd van Amersfoort en omstreken Deel 3

 

Een week lang zijn we aan het graven. Het wordt een prachtige loopgraaf van ongeveer vijftien meter lang. Om het geluid zoveel mogelijk te dempen, maken we van de vloer waaronder de schietbaan is een dubbele zoldering, opgevuld met zand. We hebben eer van ons werk. Bij de inwijding van de baan staan we te springen van plezier,  't Is ook niet te geloven! Terwijl buiten de moffen langs ons gebouw lopen, ratelen in de schietbaan de stenguns.

            Nu is er één gevaar. Als bij een eventuele huiszoeking dit luikje gevon­den wordt, zal ook de schietbaan ontdekt worden, met alle ernstige gevolgen van dien. Ook dit gevaar wordt zo veel mogelijk ondervangen. Probeer maar eens het luikje te openen. Je ziet dan niets dan zand, zoals onder elke vloer. We hebben namelijk onder het luikje een verschuifbare bak met zand aangebracht. Duw deze bak met zand weg, en dan ontdek je pas een gat, dat uitkomt in de loopgraaf.

            Elektrisch licht wordt ook aangebracht en nu ontbreekt er niets meer aan onze schietbaan, waar we op alle wapens oefenen en waar we een goede vuur-discipline krijgen.

Als we nu 's nachts op pad gaan, weten we dat onze stens bij onverhoopte ont­moetingen hun werk goed zullen doen. Ze zijn ons vertrouwd geworden.

 

 

            We moeten vanavond op pad.  't Is een moeilijke opdracht. De wissels, die de lijn Amsterdam verbinden met het emplacement, moeten de lucht in. Door de donkere nacht gaan we sluipend langs de wagons en loodsen naar ons doel. Op het rangeerterrein, dat we over moeten steken, hijgen en blazen de lo­comotieven. Spoorwegmannetjes met seinlampen en fluitjes doen de goederen­treinen heen en weer rijden. Ze glijden ons als donkere schimmen in de nacht voorbij.

            Als Ab het sein geeft, gaan we voort om het rangeerterrein over te ste­ken. Stappend over de rails gaan we in gebukte houding verder. In gebukte houding, omdat we nu geen dekking hebben van wagons en loodsen. Onze ogen boren door de duisternis.

            Kijk, zijn dat.... We horen stemmen, we vallen neer.... dekking zoeken tussen de rails... We luisteren... Wat zijn het voor moffen?

            Het valt mee. Het zijn spoorwegmannen, die zich naar hun post bege­ven, naar het seinhuis, dat we in de nabijheid van "onze" wissel op zien rijzen.

            Het is een ongezellige ligplaats, tussen de rails, met puffende locomo­tieven om je heen. En het lijkt wel of ze onze gedachten lezen, want als we net zo'n beetje tijd vinden om op te staan, komen rangeerders ons gezelschap hou­den, om het wat gezellig te maken.

            Moeten ze over de rails, waar wij tussen liggen? Laat ze het dan zeg­gen, want we voelen er niets voor om gewalst te worden of een tik van een los­hangende koppeling op ons hoofd te krijgen. Maar het valt mee. Op ongeveer tien meter afstand, acht harde koude rails bij ons vandaan, moet een wissel om­gegooid worden. Het Reichbahnmannetje kan het niet alleen af. De wissel is schijnbaar door de staking in onbruik geraakt en vastgeroest. Een tweede ambt­genoot snelt hem tegemoet. Met een ijzeren staaf gooien de kerels de wissel om. Rien zet intussen zijn sten scherp. Je kunt nooit weten. Ab fluistert: "Niet schieten hoor..." Daar hoeft hij niet bang voor te zijn. Dat doe je alleen in uiter­ste nood.

            Intussen bonst het hart van spanning. De locomotief komt aangereden. Op het ogenblik dat de machine tussen ons en de beide mannen inschuift, ren­nen we gebogen in de andere richting. Het lawaai van de machine overstemt onze voetstappen en als we aan de andere kant van het terrein langs de lijn Am­sterdam in een greppel springen, zijn we toch wel opgelucht.

            Maar de oplossing is van korte duur. Er nadert een lichtje op het paadje langs de lijn en... langs de greppel waar wij in zitten...

"Ssst", waarschuwt Ab en het is doodstil. Toch is er een geluid, dat ons steeds verontrust. Straks tussen de rails werd je er kriegel van en ook nu werkt het op je zenuwen. Het is de leren broek van Thijs, die bij ieder beweging onheilspel­lend kraakt. We wensen die beroerde broek niet veel goeds toe, maar daar maak je hem op het ogenblik niet kraakloos mee.

 

            De Reichbahngermaan, die met het lichtje dichterbij komt, neuriet zacht een liedje, terwijl het lampje in zijn hand heen en weer slingert. Zingt hij van zijn Heimat, denkt hij aan zijn vrouw en kinderen? Even glijdt er een flauw schijnsel over vier donkere figuren. Maar hij is ze al voorbij en neuriet door.

Stil, wat hoort hij daar? Bewoog er iets achter hem? Even staat hij stil... Maar niets dan vertrouwde geluiden van het rangeerterrein bereiken zijn oor. Hij heeft verkeerd gehoord, misschien een steen. Doorlopen maar...

            We zien, of beter, we horen hem het seinhuisje binnengaan. Telefoons rinkelen, stemmen geven dienstmeldingen door, dat zijn de geluiden van het seinhuisje. Verder is het in onze onmiddellijke nabijheid stil. Ab kruipt om­hoog. Thijs grijpt het sabotage-materiaal. Henk en Rien blijven liggen. Maar ze hebben nog geen vijf passen gedaan, of ze springen weer terug in de greppel. Uit de richting van het seinhuisje nadert weer een lichtje.

"Het lijkt hier wel een boulevard", mompelt Thijs verontwaardigd.

"Zo komen we nooit klaar".

            Ook Ab mompelt wat van moffen en van beroerde lichtjes, en kruipt maar weer in de greppel. Mocht je nu maar handelen zoals je wilde, dan had zo'n mof allang een tik op zijn achterhoofd gehad. Maar de orders zijn: botsin­gen vermijden. En dus zijn we maar gehoorzaam.

            Lichtje nummer twee nadert. Zware soldatenlaarzen dreunen over het­zelfde paadje. Het kraken van Thijs' broek is nu beslist zenuwslopend. Het licht dat door de voorste mof gedragen wordt, is feller dan het lichtje van straks. Maar het is maar een straal, die nu eens het paadje, dan weer de spoorlijn af­tast. We houden de adem in, de vinger aan de trekker; zelfs de broek van Thijs kraakt niet meer...

 

            Het zijn vijf SS-ers. Zij dragen het geweer in de handen, helm op het hoofd. Rakelings gaan ze langs ons heen... Als we onze armen uitstrekken, kunnen we de laarzen raken. Het licht schijnt nu op het pad... Als de lichtstraal maar even de greppel afzoekt, zullen er twee stens en twee revolvers ratelen. We zijn niet bang voor de uitslag, maar het hart bonst ons in de keel.

            Ze zijn voorbij, wat zijn het, lijnwachters? We wachten, terwijl onze hersenen werken. Maar elke minuut is te veel. Dit is niet uit te houden, dat stil­zitten...

            Zou die mof van straks misschien dan toch.... Waarom die telefoonge­sprekken in het seinhuisje? Weten ze van ons? Valt de zojuist gepasseerde pa­trouille ons straks aan? Wie weet is er nog een patrouille in aantocht. En sluiten ze ons in. Terroristen moeten immers koste wat kost uitgeroeid worden?

Maar nee, weg zulke gedachten, waar blijft je vertrouwen op God? Zulke ge­dachten breken je zenuwen, wèg, wèg,...moed en vertrouwen.

 

            We krijgen de gelegenheid. Vlug brengen Ab en Thijs de leiding aan. Blokken Trottyl ondermijnen weldra de wissels, die de lijn Amsterdam met het rangeerterrein verbinden. Weer wordt ons werk echter gestoord.  In het sein­huisje slaat een deur. Weer zo'n verwenst lampje.  "Ab, Thijs, liggen.'" Hebben ze het niet gehoord? Voor Henk een tweede keer kan waarschuwen, is het licht­je al dicht genaderd. Enfin, ze zullen het zelf toch immers ook wel zien.

Maar Ab en Thijs werken door, alsof er geen lichtjes en moffen bestaan, zo zijn ze door hun werk in beslag genomen.

            De Duitser snapt er niet veel van. Nu nog wegwerkers aan de baan? Even schijnt hij met zijn lampje. Maar het licht is te zwak om goed te onder­scheiden en hij is al oud, ziet waarschijnlijk niet al te goed. Hij loopt door. Maar goed ook. Want met iets meer nieuwsgierigheid had hij vast een stenkolf op zijn pet gekregen. Wat nu? In plaats van tijdpotloden verkeerd aanleggen?

Maar er nadert weer wat over het paadje.

"Kom mee jongens, op hoop van zegen", beveelt Ab. Achter elkaar verdwijnen we in de richting van veilige huizen.

 

            Heeft de laatste mof alarm gemaakt? Is de lijnwacht langsgekomen en hebben ze de witte slagkoorden gezien? We zullen het wel nooit te weten ko­men. Uren liggen we te luisteren. Meerdere explosies hebben we gehoord. Daar zijn de lijnen van Zwolle en Arnhem, die de lucht in gaan. Maar onze explosie wordt niet gehoord. Is dan al dat werk en die spanning voor niets geweest?

 

 

Een Amerikaans offensief is ingezet. Aken wordt veroverd. Onze opdracht stond hiermee in verband.

 

Veel tijd om over onze teleurstelling na te denken hebben we niet. Werken, want het verzet moet gaande blijven. Kees komt thuis met nieuwe mogelijkhe­den. Voor de eerstvolgende weken kunnen er weer aardappelen gegeten wor­den. En niet alleen onze verzetsgroep, maar ook alle stakende spoorwegman­nen zullen geholpen worden. Niet minder dan vijftien ton aardappelen per week staan ons tot beschikking.

            Hoe is dat mogelijk en waar komen ze vandaan? Zoals destijds Piet Hein met zijn Zilvervloot, komen ze uit Drenthe vandaan. Kees heeft op naam van de commissie Eerland de hand gelegd op vijftien ton per week. Frank zorgt, dat bij de haven de aardappelen op onze wagens geladen worden. In Hoogland is er een boer, die zijn kippenhok als opslagruimte ter beschikking stelt. Maar hoe ze nu te verdelen? Er wordt nagedacht en de oplossing komt.

 

            Daar gaan onze klanten. Met karretjes en wrakke fietsen. Op naar Hoogland. Nu hoeven ze niet naar de IJssel. In Hoogland is er wat te krijgen. Meisjes hebben vanmorgen briefjes rondgebracht. Er staat op wat ze kunnen halen: aardappelen. Er staat ook een tijd op aangegeven. Ze zullen vast niet te laat zijn. Maar toch zijn ze voorzichtig. Dat staat wel niet op het briefje, maar dat is logisch, vooral in deze tijd. Ze zijn dankbaar, dat ze zich verzorgd weten. Ze hebben al eens capucijners gehad en meel en nu weer aardappelen...

            Kijk, daar moeten ze zijn. Hee, daar staan nog meer bekenden, allemaal om aardappelen. Rond een boerenschuur of kippenhok, wat het ook is, wachten ze geduldig hun beurt af. En in de schuren zijn ze aan het werk, Henk, Jaap en Joop. Ze scheppen aardappelen dat het een lieve lust is. Op vertoon van het be­kende briefje krijgt ieder zijn deel. Het is al dagen goed gegaan. Het is te hopen dat het zo blijft.

 

            Over de straatweg rijdt de Landwacht. Ze loeren op buit, maar het is vandaag mis, nog niets opgepakt, dat is verdrietig. Maar wat is dat, daar op dat boerenerf? Met gewichtige gezichten, bewust van hun belangrijkheid, stappen ze er op af.

            De mensen, meest vrouwen, gaan er met hun nog lege zakjes vandoor. Joop heeft ze het eerst gezien. Met een greep heeft hij de briefjes bij zich gesto­ken.  "Jaap, man, we zijn de sigaar". En weg is hij. De Landwacht ziet hem gaan, maar de vluchteling stoort zich nergens aan en is al snel verdwenen. Jaap staat in een ogenblik op het land met een schop in de hand. En nu maar spitten, de grond bewerken, dan zien ze hem voor boerenknecht aan. Henk is er echter bij: "Ziezo, ze hebben tenminste wat". Henk moet mee. Maar 's avonds is Henk weer vrij.

            En de aardappelen? Ze zijn in beslag genomen. Dat is erg. Wat moeten we nu? Zonder voedsel komen de stakers in moeilijkheden. En omdat de sta­king ondanks alles door moet gaan, worden de Landwachters omgekocht. Het stuit ons wel tegen de borst, maar op een andere manier gaat het niet.

 

Van nu af aan deelt de Rooms-Katholieke Vincentius-vereniging uit. Dit gaat beter. Vijfenzestig ton wordt zo voor de stakers gedistribueerd, en vijfen­twintig ton is voor onze verzetsgroep. Ze worden door ons zelf op onze duik­adressen gebracht, waar ze met vreugde binnengehaald worden.

            Deze distributie van aardappelen heeft heel wat zorgen gegeven, maar ze is geslaagd. Ook groente wordt verdeeld. Het gaat weer op dezelfde manier. In samenwerking met de heer K. komt er zelfs meel voor de stakers. Driedui­zend pond moeten we verdelen. Dit te verslepen, geeft ons weer eens ander werk. Met karren en bakkersfietsen brengen we het bij de bakkers. Als echte meelsjouwers nemen we de baaltjes op onze nekken en dragen het naar de meelzolder.

            Je voelt je voldaan na zo'n karweitje. Er is nu weer eten, dat geeft steun aan het verzet. En als je na zo'n morgen van sjouwen weer bij elkaar kunt zijn met een kop koffie van tante Ans en het pakje Consi van oom Kees, dan weet je, dat je het leven weer aankunt, al is het dan ook in bezettingstijd.

 

            Vanavond is er ook weer werk. Zo houd je de moed erin en blijf je voor het verzet paraat.

Kees vertelt ons, dat er vaten olie in Duitse bunkers opgeslagen liggen op het terrein van de Wagenwerkplaats. Van deskundige hulp kunnen we verzekerd zijn. Iemand van de luchtbeschermingsploeg, "onze" Henk, die het terrein op zijn duimpje kent, zal ons de weg wijzen.

            Deze luchtbeschermingsploeg is na de staking aangebleven en houdt toezicht op de werkplaats van de N.S. Is dat geen hulpdienst verlenen aan de vijand, terwijl het N.S.-bedrijf als geheel moet staken?

Het is een besluit van de commandant van de B.S. in overleg met Kees en de heer B. Toen de geallieerden oprukten en de staking geproclameerd werd, ston­den we met een gewapende groep klaar om de N.S.-werkplaats en het emplace­ment tegen Duitse verwoesting te verdedigen. Maar deze beveiliging werd on­mogelijk gemaakt door de vertraagde geallieerde opmars.

            Wat moesten we? Controle blijven uitoefenen ging niet. Daarom was het besluit tot handhaving van een vrijwillige luchtbeschermingsploeg volko­men gemotiveerd.

 

            En vanavond komt die luchtbescherming zelfs van pas. We zien er uit als landlopers. De smerigste oude jasjes en broeken die er zijn, hebben we aan­gesjord. Nog voor achten (Sperrtijd begint 8 uur) zijn we bij Dick de sloper, vanwaar we ons werk willen beginnen.

            Over de bielzen ligt de verlaten wagenwerkplaats. Slechts Duitse pa­trouilles betreden nu en dan het eens zo bloeiende spoorwegbedrijf. Nu even opgelet... Over de bielzen heen turen zes paar ogen de duistenis in. Ja, daar is hij. Het is toch geen Duitse patrouille. Nee, kijk maar, het is Henk, hij staat op een afgesproken plaats en wenkt met zijn hand. Het terrein is de eerstkomende oge­blikken veilig.

            Ab wipt als eerste over de afrastering heen, Wubbo volgt hem op de voet. Zo gaan ze alle zes, Thijs, Gerrit, Jaap en Rien. Een klamme motregen valt gestaag naar beneden; ze maakt duister nog grauwer en verdrietiger. Maar we voelen het niet. Dat komt juist bij ons werk te pas. Door zand en modder bereiken we de eerste bunker. Als Henk de deuren opent, kijken we eerst voor­zichtig om ons heen. Stel je voor, dat wij naar binnen tippelden, en de moffen deden de deur achter ons dicht...

            Verschrikt stappen we achteruit, als de deuren knerpend verder open gaan. Een straal licht van Henks zaklantaarn priemt door het duister. Ah, vaten. Met kennis van zaken zoekt Henk de vaten, waarvan er verschillende leeg zijn. Tevens onderzoekt hij de kwaliteit van de olie. Twee vaten wijst hij aan. Rol­len, jongens...

            Uit een volgende bunker kiezen we weer enige slachtoffers, tot we er zes hebben. Rollen; daar komen onze vaatjes aan. Ze zijn als dikgebuikte mof­fen, die van een heuvel af rollen. Bij elke wenteling spartelen ze tegen. Zo zit er een heuveltje voor en dan weer een kuil in de weg. Waren die vaatjes maar moffen. Het zijn helaas ijzeren vaatjes, vies en vettig, die steeds meer onhan­delbaar worden door de modder, die er in dikke plaatsen aan blijft kleven.

            We rusten even. Is ons konvooi bij elkaar? Ja, straks nog een keer drie vaten en dan is het gebeurd. Wubbo veegt met een genoeglijke grijns zijn ge­zicht af. Is het regen of zweet? "Van allebei wat" zegt hij voldaan en zo is het goed gezegd. Want we zouden niet voldaan zijn, als we er niet bij getrans-pi­reerd hadden. Als je van de mof iets kraakt, dan moet het niet gemakkelijk gaan.

 

We hebben alle zes de vaten voor de afrastering. Het is een uitermate vermoei­end werkje geweest. Over alle oneffenheden en hindernissen, zoals rails, bal­ken zijn ze heen gehobbeld. Eén is er zelfs nog in een bomtrechter gerold, maar die ontvluchtingspoging is verijdeld. En het was de smerigste van de zes. Hier ligt de misdadiger. We houden hem in de gaten alsof hij weer zou kunnen ont­snappen. Maar toch saboteert dit ellendige vat steeds wat hij kan. Het heeft een dik oliespoor achtergelaten. Het is lek, en onze schoenen zijn doorweekt van de olie.

            Intussen hebben we alle bewegingen van de Duitse patrouille ook goed nagegaan. Maar zonder opgemerkt te worden, zijn we zo ver gekomen. Nu over de bielzen met onze buit. Henk blijft staan en stapt dan het gevaar tege­moet. Als lid van de luchtbeschermingsploeg met z'n witte band is hij redelijk veilig. Even later is hij terug. "Oké jongens, het was Dirk maar". Dirk, ook lid van de ploeg, is op zoek naar Henk gegaan en heeft hem ook gevonden.

            Met enige palen als oprijbanen rollen nu de vaten over de bielzen. Het is gebeurd. We verstoppen ze onder de stapels oud roest van Dick de sloper en we zijn klaar. Vermoeid, maar blij en voldaan gaan we naar huis. Het is dankzij Gods hulp gelukt.

 

De volgende dag heeft onze voedselvoorziening de beschikking over olie. Ver­scheidene van deze vaten zijn na de capitulatie geweldig te pas gekomen. Ver­schillende machines, die bewaard gebleven zijn, konden dankzij deze oliereser­ve weer draaien.

Zo werken we in de bezettingstijd reeds aan de toekomstige opbouw van ons land. Met volle kracht moet het verzet zo doorgaan. Het gaat door; we krijgen steeds een steun in de rug. Niet alleen door de vele mogelijkheden, die voor ons openstaan, maar ook door steeds betere bewapening.

            Ab heeft tenminste nog nooit zo blij gekeken. Geen wonder. Sinds Rien het eerste wapen bij Rudolf (een vriend van ons in een ander stadsdeel) ophaal­de, is onze bewapening steeds meer opgevoerd. Handgranaten, stenguns, trottyl en ander sabotagemateriaal. Dat alles doet onze papieren tegenover die van de moffen.

            Vanmorgen is er zelfs een mitrailleur met munitietrommels en vijf bij­behorende lopen bijgekomen. Nog wel een Duitse. Eerlijk gekregen? Vraag het maar aan Blonde Jaap. Samen met Cor heeft hij hem gepikt. Het was de moffen wel aan het hart gegaan. Ze hadden de hele omgeving afgezocht en onder­vraagd. Maar de zakkenrollers waren niet ontdekt. Onze koeriersters hebben de aanwinst gehaald. In een karretje onder wat takken (voor ons vuurduveltje) is hij thuisgekomen. Van Hamersveld af is dat een hele tippel. Maar Ina en Ria zijn wel wat gewend. Menige Germaan heeft hen nagekeken. "Solche hübsche Mädel", niet wetende dat die "hübsche" meisjes zo'n "hübsche" lading aan boord hadden. En juist in deze tijd zijn onze meisjes hun gewicht in goud waard. Want niet alleen het wapenvervoer is voor ons gevaarlijk, zo niet onmo­gelijk, elk verblijf op de straat is voor ons, jongens, gevaarlijk. Sinds de razzi­a's van begin oktober is het steeds weer mis. Op elke hoek van de straat kun je controle verwachten. Nu is ons stadsdeel wel het minst populair voor Land­wacht en ander gespuis.

 

            Daarbij zijn onze papieren, al zijn deze vals, uitstekend in orde.

Ab loopt met een t.b.c.-briefje op zak. De rest is voorzien, zowel van Ausweise voor Arbeitseinsatz als voor Schanzarbeit. Veel van deze uitstekende papieren zijn verzorgd door Rudolf, een oud en vertrouwd contact, die nog steeds met ons samenwerkt voorzover we elkaar nodig hebben.

Maar al heb je papieren, toch is daarmee je bewegingsvrijheid niet verzekerd.

 

 

            Jaap en Rien lopen op straat. Ze hebben het er maar op gewaagd. Als je goed uitkijkt kun je eventuele controle wel omzeilen. En word je aangehouden, dan kan je meteen je papieren eens proberen. Dat risico mag je niet nemen, als je op straat niets nodig hebt, maar vanmiddag hebben ze opdracht om iets uit te vissen.

            Ze moeten informatie inwinnen over een persoon, aan wie een groot be­drag ter beschikking is gesteld. Maar het geld is nog niet in bevoegde handen. Is die man betrouwbaar? Uitzoeken, luidt de opdracht. Weldra is dit karweitje opgeknapt. De voorlopige informaties zijn gunstig.

            Van de Utrechtseweg af lopen ze huiswaarts. Het is geen prettige wan­deling. Nu zie je pas, wat de vijand ons heeft aangedaan. In onafgebroken rijen zeulen moede IJsselgangers achter wrakke karretjes de Utrechtseweg op.

            Oude mannetjes en bleke vrouwtjes, jonge magere meisjes en zelfs kin­deren strompelen verder. De tocht heeft al zo lang geduurd, wanneer zijn ze thuis? Ze zijn weggegaan in sneeuw en felle kou. Nu hangt er een grijs wolken­dek boven troosteloos, uitgeput Holland. De regen valt gestadig en maakt je huiverig. Het water dringt door schamele dunne kleren heen. Je wordt koud tot op je botten. Maar het ergste zijn je voeten. Ze schrijnen in versleten schoeisel, tot het bloed en de blaren je weer tot rust dwingen.

En nu sukkelen ze de Utrechtseweg op, die tegen de Amersfoortseberg omhoog klimt. Hoe komen ze ooit boven; die berg is een lijdensberg.

Jaap en Rien zien ze gaan. Het is niet om aan te zien. Kijk, daar gaat weer een karretje met zo'n zielig stelletje erachter. Traag wentelen de wielen om en om. Vooruit moeten ze, omhoog.

"Eventjes helpen trekken?" "Helpen", het klinkt de stumperds als muziek in de oren. Een touw aan de kar, over de schouder, en daar gaan Jaap en Rien. Trek­ken maar jongens... Dikke zweetdruppels parelen op het gezicht, ze hijgen als paarden. Maar in hun ogen is er blijheid. Ze kunnen helpen Hollands lijden te verzachten. Dit is ook verzet. Ze voelen in de vracht die ze achter zich aan sleuren de tegenwerkende kracht van de vijand, die op elke manier probeert het Nederlandse volk de afgrond in te duwen.

            Bovenaan bij de watertoren staan ze stil. De mensen stamelen woorden van dankbaarheid. Jaap en Rien gaan nu maar gauw weg. "Goede reis hoor, moed en vertrouwen".

 

            Maar halverwege zijn ze alweer ingespannen. Weer trekken ze als paar­den. Maar zo kun je niet aan de gang blijven, want ze moeten naar huis. Dan maar niet meer de lijdensweg af. Ze nemen een andere weg, waar ze niet meer de stroom van hongerig Nederland tegenkomen.

 

            "Halt". Als je niet meer aan controle denkt, loop je er juist tegenaan. Nog met gedachten vervuld van wat ze zagen, hebben ze hun voorzichtigheid uit het oog verloren. Aan de achterkant van de infanteriekazerne worden ze aangehouden. Het is een beroerde plaats. Mankeert er ook maar iets aan de pa­pieren, dan sta je met een paar passen achter het prikkeldraad van de kazerne.

            En daar klinkt het al: "Ausweise". Het is in deze dagen het meest gehate woord. En daar komen de papieren. Ze zijn van onder tot boven vals, maar zonder verblikken worden ze aan de mof overgereikt.

Een ogenblik is er stilte. Met Argusogen bekijkt de slavenhandelaar de valse vrijstellingspapieren. Even blikt hij wantrouwig in de onschuldige ogen van twee K.P.-ers. Maar alles ziet er echt uit. Bovendien hebben de jongens nog een Duits frontzorg-zegel op hun P.B. Dan is alles toch zeker in orde? Met een goeiemiddag, waarin de spot te horen is, vervolgen Jaap en Rien hun weg. Ze zijn dankbaar dat de papieren bewezen hebben goed te zijn. Zo komen ze thuis.

 

            Toch kunnen we zo niet door blijven gaan. Gerrit, Thijs en Piet zijn ook al eens aangehouden. Vandaag gaat het goed, maar morgen is het mis. Daarom is het gewenst dat ze zoveel mogelijk van de straat blijven. Karweitjes waar geen mannenkrachten bij nodig zijn, moeten de koeriersters dan maar doen. Veel werk kunnen ze er echter niet bij hebben, want onze meisjes zijn voortdu­rend in touw.

            Allereerst moet de principiële voorlichting blijven doorgaan. Daarbij zijn onze koeriersters onmisbaar. Want de berichten uit alle delen van ons land moeten doorgegeven worden. Tegelijk met de principiële houding ten opzichte van de Duitse maatregelen. Dat geeft nu moeilijkheden. Een landelijke uitgave van illegale bladen wordt niet meer aangetroffen. Het vervoer hiervan is onmo­gelijk geworden. Nu verschijnen overal plaatselijke uitgaven. De richtlijnen hiervoor worden in kopieën doorgegeven. De kopie voor Trouw verzorgen wij. Verschillende meisjes onderhouden de verbinding van Amsterdam met Zwolle en zo verder naar de noordelijke provincies, van plaats tot plaats. Lies brengt de kopie van Amersfoort tot Harderwijk, in samenwerking met een paar vrien­dinnen. Wij nemen gedeelten uit deze kopie over voor de plaatselijke Trouw, die we zelf stencillen.

 

            In regen en sneeuw wordt de dienst met Harderwijk onderhouden. En is Lies, die officieel koerierster van Trouw is, verhinderd door andere diensten, dan zijn Ina, Cor of Ada er nog. Koeriersters, die door dik en dun gaan, plenty...

            Vandaag is Lies op pad gegaan. Over dezelfde weg, waar anders dui­zenden IJsselgangers trekken, is nu bijna geen verkeer. Geen wonder, de sneeuw ligt drie centimeter dik, en een ijzige wind snijdt je de adem af. Door een heldere lucht brommen de geallieerde vliegtuigen. Zware bommenwerpers, maar ook snelle jachtvliegtuigen. En vooral de laatste, ook al zijn het onze vrienden, kunnen je de schrik op het lijf jagen. Heel laag scheren ze soms over de bomen om het verkeer op de weg onder vuur te nemen. Berg je dan maar. Een eenmansgat kan dan je redding zijn. Met dubbele aandacht - voor de vlieg­tuigen en voor de weg - rijdt Lies naar Harderwijk.

 

            Een Duitse auto rijdt haar voorbij. Hebben ze bijzondere aandacht voor haar of is het verbeelding? Ze houdt de adem in, want de auto stopt. De schrik slaat haar om het hart: controle? Niets van je angst laten merken, doorfietsen...  "Absteigen bitte". Nu is ze er bij. Wat te doen? In haar fietstas met dubbele wanden zullen ze het ontdekken. Het is de laatste tijd ook teveel wat meegeno­men moet worden. Nu zie je duidelijk, waar het gevaarlijke materiaal zit. Ze moet de fiets tegen de boom zetten. Werktuiglijk rijdt ze erheen. Uit de andere richting nadert een vrachtauto. De Duitser, die haar controleren zal, ziet hierin een nieuwe prooi. Hij heeft zich van Lies afgewend en laat ook de naderende auto stoppen. Als Lies de rug van de mof ziet, flitst het door haar heen: weg­fietsen, wagen...

            Met een zwaai heeft zij haar fiets gekeerd. Ze springt op haar fiets, die bijna slipt in de sneeuw en rijdt als een razende. Ze heeft geen tijd om over het gewaagde van haar vlucht na te denken. Maar ze heeft een huiverig, onveilig gevoel in haar rug. Ze krimpt in elkaar als een revolver knalt. Een kogel fluit langs haar heen... en nog een... en nog een... Is ze geraakt? Haar angst geeft haar reuzekrachten en wonderlijk, haar fiets roetsjt door de rulle sneeuw, zon­der dat ze slipt of valt. Wonderlijker is het, dat geen enkele kogel haar treft. God heeft de verraderlijke kogels bestuurd. Ze is ongedeerd.

 

            De Duitsers zijn haar niet gevolgd, met de auto keren in de sneeuw zou haar waarschijnlijk te veel voorsprong gegeven hebben.

En een zijweggetje ontneemt hen helemaal de kans haar te grijpen. Zo is het werk van onze koerierster gevaarlijk en onvermoeid. Maar niets weerhoudt de koeriersters. Niets is hen teveel.

 

            Elke morgen heeft Kees zijn briefjes klaar. Dan begint het werk voor Bep, Ans of Lies al. En al zijn ze aan het aardappelen schillen of aan het koken, klaar staan ze voor de belangrijke boodschappen. Een ander moet het werk maar van ze overnemen en weg zijn ze. Ans kent alle contacten, zodat ze on­misbaar is geworden. Maar daardoor moet ze op de onmogelijkste tijden op pad.

            Bep heeft de steungevallen voor Soest te verzorgen. Daar wordt ze elke maand met blijdschap tegemoet gezien. Niet alleen omdat ze de financiële en materiële zorgen komt verlichten, maar ook omdat ze gezelligheid brengt. Ze moet haar jas uittrekken en dicht bij de kachel gaan zitten, die met moeizaam verkregen brandstoffen gestookt wordt. Een kopje warme thee, al is het surro­gaat, zo wordt ze ontvangen.

            De Joden die in en om Amersfoort ondergedoken zijn, verzorgt ze ook. En ze worden goed verzorgd, want Bep heeft een medelijdend hart. Zo is het met onze koeriersters, ze staan op de bres voor elke principiële onderduiker of zwerver.

 

            Een Joodse vrouw is in verwachting. Maar zo blij als in vredestijd is nu alles niet. Waar komt extra voedsel vandaan? Haar man zit in zware zorgen. Waar moet in deze tijd een baby-uitzet vandaan komen? Het is nog wel hun eerste kind. Nee, veel blijdschap brengt hun dit niet. Hoe mooi zou alles in een vrij Holland zijn...

            Bep heeft hun zorgen bemerkt. Ze heeft gepleit bij Kees en Gert-Jan. Die mensen moeten geholpen worden. Het is dringend. Hoe heerlijk is het daar nu heen te gaan, met tassen vol levensmiddelen. En ze peinst over de zorgen van het leven. Hoe arm zal dit Jodenkindje ter wereld komen? Ze schrikt ervan. Zo kwam immers eens ook een kindje ter wereld? Dan glimlacht ze weer blij. Want als Christus zo geboren is, dan kent hij toch ook de zorgen van dit kindje en zijn ouders? Ja, daar kan ze verzekerd van zijn. En blij fietst ze verder. Thuis vertelt ze van de dankbare ouders. Samen met Ans bespreekt ze wat ze verder kunnen doen. Ans heeft allang haar plannen klaar. Ze laat Bep een sta­peltje kleertjes zien. Nog van haar eigen kinderen. En er komt nog meer. Op een avond komen de jongens thuis met lakens,  slopen en ondergoed. Bep en Ans juichen. Waarvandaan? Wel, een N.S.B.-er, die zijn huis onbeheerd had achtergelaten, moest het ontgelden. Nu is zijn linnenkast leeg.

 

            Het Jodenkindje is geboren, nu ligt zijn uitzet voor hem klaar, compleet. Het koeriersterswerk is gevaarlijk. Vraag het maar aan hen. Lies, Ans, Bep, Klaar, allemaal weten ze ervan te vertellen. Maar vraag ze ook eens, of ze het op willen geven... nooit...

Want hun werk is eveneens geweldig dankbaar werk.

 

            Zoals de koeriersters zich geheel ten dienste van ons benarde vaderland inzetten, zo zijn we allemaal bezig. En het is goed, dat we zoveel enthousiaste medewerkers hebben, want de zorgen stapelen zich op. Voedselvoorziening, ondersteuning, wapenvervoer, lectuurverspreiding, stencil- en typwerk, valse P.B.'s, schoenreparaties, bonkaarten, spoorwegstaking, geheime telefoon, sabo­tage, provocateurs. Dat zijn de realiteiten van elke dag. En nu is nog niet eens alles genoemd.

 

            Het is dan ook een geweldige slag voor ons, als we in deze tijd, nu we elkaar als vrienden zo hard nodig hebben, Wubbo moeten missen.

            Zijn verloofde heeft met haar familie haar huis moeten verlaten. Ze zijn eruit gebombardeerd. Ze zijn nu echter ondergebracht in een huis waar andere gevaren dreigen. Dit huis heeft al eens bezoek gehad van de Gestapo.

En als ze er nog een keer een bezoek brengen, is Wubbo er ook. Omdat er ook ontsnapte Rotterdammers gevonden worden, moet iedereen mee, ook Wubbo. En voor de tweede maal ziet Wubbo de poorten van de gevangenis voor zich opengaan.

            Kans om hem te bevrijden, is er nu niet meer. Contact met hem krijgen we wel. Het zijn opgewekte briefjes, die hij ons stuurt, waaruit de hoop spreekt dat zijn kans om met een eventueel transport voor de tweede keer te ontsnap­pen, ook wel komen zal.

            Het heeft helaas niet zo mogen zijn. In december wordt zijn verloofde uit het kamp ontslagen, maar zij kan weinig mededelen. Een enkele maal heeft ze Wubbo slechts kunnen zien, maar ze vreest dat hij naar Duitsland getrans­porteerd zal worden. Die vrees is waarheid geworden. Geheel onverwachts is Wubbo naar Duitsland gevoerd. Nooit hebben wij hem meer mogen zien. Evenals Luit en Jaap is hij daar gestorven in een concentratiekamp.

 

            Zo heeft ook hij zijn jonge sterke leven gegeven voor het vaderland. Het heeft ons altijd getroffen dat Wubbo na zijn eerste verblijf in het concentra­tiekamp toch de moed bezat om zich aan het verzetswerk te geven.

 

En hij heeft dit gedaan met hart en ziel. Niets was hem te veel of te gevaarlijk. Het kan niet anders of zijn geloof moet hem die moed en kracht gegeven heb­ben. Zo is het ook geweest. Zijn leven heeft hij in dienst gesteld van zijn God, ondanks het feit dat hij wist wat hem te wachten stond, als hij weer gegrepen werd.

"Wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het behouden".

 

            Wubbo is gepakt, de razzia's en controles duren voort. Toch moet on­danks dit alles het werk voortgaan. Het geeft ons allen veel zorg. Midden in deze zorgen komt Peter ons werk steunen. Begin oktober 1944 is hij gekomen. Een bril met vensterglas siert nu zijn neus, wat geheel in overeenstemming is met zijn waardige beroep. Ds. Doornenbal prijkt er thans op zijn persoonsbewijs. En hij wordt met vlag en wimpel binnengehaald, want hij is hard nodig. De verzorging van onze Trouw groeit ons werkelijk boven het hoofd. Daarom is, na overleg met Ab Vonkeman, Van Ruller, en Tilly, Peter weldra de vertrouwensman van Trouw in Amersfoort.

            Peter is een goed redacteur. Trouw kan nu voor de dag komen. Dit werk is van dubbel belang, omdat het aan ons andere werk verdieping geeft. In ons illegaal werk zijn immers onze zonden. Met de bespreking van principiële kwesties, waartoe de inhoud van Trouw gerede aanleiding geeft, zien we duide­lijker onze fouten. We moeten het erkennen. Er is veel onheilig vuur bij ons werk. We bidden niet altijd "Uw wil geschiede"; we zoeken onszelf teveel. Deze gesprekken brengen ons ontzaglijk dicht bij elkaar. Ondanks al onze ge­breken weten we, dat God ons nabij is. Juist dat zoeken naar God, ook in onze persoonlijke gesprekken, bindt ons vast aaneen.

 

            We spreken nu in de donkerste tijd van de bezetting, over de radicale ei­sen van Christus' gebod. Hoe schamel is ons leven, als wij daarop zien. Hoe slap is de christenheid als die de geboden van God met voeten treedt. Deze ge­dachten, die in onze gesprekken naar voren komen en die richting geven aan ons verzet, uiten we ook in onze illegale lectuur.

            In Trouw verschijnt onder andere het artikel van Peter "De radicale eis van het christendom en de slappe christenheid". Zo bouwen we voort, want al moet onze houding in deze dagen tegenover elke maatregel principieel zijn, ook voor de toekomst van ons land na de bevrijding moeten we oog hebben.

            Onze gesprekken houden ons soms tot diep in de nacht bezig. Ze heb­ben een speciaal karakter. Want hoe uiteenlopend zijn onze posities in de maat­schappij: naast de N.S.-werkman zit de advocaat; tegenover de onderwijzer zit de chauffeur-koopman. Maar juist die verschillen maken onze gesprekken on­vergetelijk. Voor een gezellig verloop van die gesprekken zorgt Peter. Met een geheimzinnig gezicht trakteert hij op sigaretten. Waar haalt die vent zoiets toch vandaan?

 

 

            Het typen van Trouw is zo langzamerhand Gerrits werk geworden. Thijs gaat naar de gebroeders Jan, Herman en Henk om het stencillen te verzor­gen. Een boekhandelaar zorgt voor de benodigdheden daarvoor. Met twee typ­machines, een stencil-bak en stapels papier (ondanks de papierschaarste)  is hij voor ons een gewaardeerd medewerker.

            Om aktueel te zijn verschijnt Trouw soms in extra edities. Heeft de ko­ningin en één van de ministers een rede voor de radio uitgesproken, dan wordt dit meestal dezelfde dag nog in een extra uitgave verspreid. Bep en Gerrit zijn de stenografen. Maar voor het opnemen van een radiorede zijn ze van net zo­veel waarde als een Landwachter aan het Oostfront. Want alle routine zijn ze kwijt. Toch wordt de rede opgenomen. Dat gaat bij ons zo:

            "Piet, Thijs, Jaap, Bep en Gerrit, zorg dat je vanmiddag om tien voor een bij tante Dien bent. Denk erom, niet allemaal tegelijk. Voorzichtig zijn. Ab en Rien zijn er ook". Zo spreekt oom Kees tot zijn neven en nichten, want er moet weer gewerkt worden. Tegen elf uur zijn allen present. Oom Kees legt de zaak uit. Een rede van minister Heuven Goedhardt wordt door Radio Oranje uitgezonden.

Gezamenlijk moet de rede opgenomen worden.

Weldra klinkt het "In naam van Oranje..." door de kamer, waar zeven strijdende Nederlanders met een blaadje papier voor zich op een potlood zitten te bijten. Dit op een houtje bijten, wat de moffen ons overigens goed hebben geleerd, is niet zozeer wegens het feit dat we niet te eten krijgen, als wel om de spanning die er is. Zou het mogelijk zijn de rede op te nemen?

            De minister begint te spreken. Nu goed opgelet. Piet begint. Hij neemt aandachtig de woorden van de minister in zich op. Hij tikt na een zin van onge­veer tien worden op tafel. Hij heeft alleen aandacht voor deze zin. Hij schrijft de zin op en wacht. Thijs heeft op het tikje van Piet gelet. Met het laatste woord, dat de minister sprak toen Piet tikte, begint hij nu op te letten. Na de zin, die hij voor zijn verantwoording neemt, tikt Thijs weer. Prompt luistert Jaap weer verder. Zo komen alle aanwezigen aan de beurt. Kees en tante Dien luisteren globaal.

            Als de minister uitgesproken is, gaat er een zucht van verlichting door de kamer. Nu kan er met minder spanning verder gewerkt worden. De zinnetjes worden aan elkaar gelast en het wordt werkelijk een prachtig geheel. Soms ha­pert er nog wel wat, maar dan springt Kees bij. Hij weet zich dit of dat nog te herinneren.

Nog diezelfde avond om ongeveer vijf uur wordt de rede verspreid. Niemand van de lezers weet hoeveel zorg en werk hieraan besteed is. Zonder steno is het klaar gekomen. Als de wil er maar is.

 

            Het vervoer van onze lectuur is ook lang niet altijd een pretje. Vooral de weg naar Spakenburg, waar altijd Landwacht-controle is, geeft ons veel zorgen. Maar door vindingrijkheid weten we de aandacht steeds van ons vrachtje af te leiden. Zo gaat het met onze illegale pers.

 

            Hoe staat het intussen met onze voedseldistributie? Met de meel-en aardappeldistributie gaat het goed, met de groenten minder. Dat het met de meeldistributie goed gaat, kunnen we merken. Op een dag zitten we, na een zware sneeuwval, met slee en meel in de sneeuw vast. Versterking wordt ge­haald. We trekken, maar het wil niet verder. Met karretjes, waaronder zelfs een kinderwagen, wordt de al te zwaar beladen slee verlicht. Dit is voor het nieuwsgierig oog van burger en mof een moeilijk karwei. Maar het gaat. Bij de bakker dragen we de balen meel vakkundig op onze nek naar boven. Zo lang­zamerhand ben je ook van alle markten thuis. Maar om de voedseldistributie verder vast te stellen, met de verdeling van vlees gaat het buitengewoon.

            Kees is op pad geweest en met zijn voortvarendheid en illegale ervaring heeft hij veel bereikt. Doordat hij recht op de man af is zonder zijn voorzichtig­heid uit het oog te verliezen, heeft hij gauw het vertrouwen.

            Resoluut komt hij dan met zijn verzoeken. En als Kees pleit en eist in naam van het vaderland, moet je je gewonnen geven. Het resultaat is dan ook twee koeien per week. Nijkerk boert ze en Bunschoten slacht ze. Gert-Jan re­gelt de verdere distributie.

            Allereerst krijgen de K.P.-ers, L.O.-ers en B.S.-ers hun lapje vlees mee voor hun onderduikadres. Een kleine lijst van bijzondere gevallen heeft dan de voorrang. De grote rest is dan voor de spoorwegstakers. Deze laatste categorie geeft de meeste zorgen. Want zo langzamerhand worden de uitdelers voor de stakers bekend. Gert-Jan moet mensen die aan zijn deur komen op alle mogelij­ke manieren overtuigen, dat hij heus van de hele zaak niets af weet. En Gerrit, die Gert-Jan onvermoeid helpt, heeft soms drie of vier buurvrouwen uit een be­paalde straat aan zijn arm. "Toe meneer, wanneer krijg ik weer eens een stukje vlees?" Het wordt bepaald gevaarlijk. Zelfs de bakkers, die hun vervoermidde­len aan ons afstaan, hebben aanloop.

 

            En op een dag, komt een meisje, dat met Klaar vlees rondgebracht heeft, heel verslagen thuis. Onderweg is ze door een afgunstige vrouw be­dreigd. Deze vrouw ontvangt niets. Geen wonder, haar man werkt bij de Reichsbahn. Toch kan ze het niet zetten, dat de stakers zo goed verzorgd wor­den. Ze heeft daarom gedreigd, de zaak aan te geven.

            De naam van deze verklikster is bekend. Gert-Jan is al gauw bij Kees. Wat moet er gebeuren? Dood laten bloeden? Nee. Aanpakken. We hebben im­mers onze K.P.?

            In het stille straatje schrobt juffrouw Jansen. Met vlugge venijnige ve­gen maakt ze de tegels schoon. Dat is haar grootste genoegen. Want dat schrob­ben is zelfs maar bijzaak. De zaak, die ze overziet, geldt echter niet alleen haar stoepje. Op haar bezem leunend spiedt ze rond.

En ze lacht. Ze weet wel, wat de bewoners van haar denken, ze zijn bang voor haar. Iedereen heeft tegenwoordig immers onderduikers? Ze gaat naar binnen. Het stille straatje is nu nog stiller. Maar achter de gordijnen vandaan wordt juf­frouw Jansen bespied. Ze hebben haar loerende blik wel gezien. En menige moeder heeft haar vuist gebald. Niemand die haar vertrouwt. O, als dat valse mens hier maar niet woonde. Dan zou het straatje ook niet meer zo angstig en stil zijn. Geen onderduiker voelt zich veilig. En juffrouw Jansen kent haar straatgenoten door en door. Dat ze haar niet vertrouwen, dat is juist wel aardig. Het wordt op die manier een leuk spelletje van kat en muis.

 

            Vanmiddag heeft ze zich echter geërgerd. Ze heeft zo'n meid met een boodschappentas bij een spoorwegcollega van haar man wat af zien geven. Ze kent dat geheimzinnige gedoe wel. Maar het moet eens uit zijn. En ze heeft het die meid flink gezegd. Haar man nog steeds werken en geen voedsel krijgen en de stakers, die niets doen, vetmesten. Jazeker... Maar zij is er ook nog.

            De avond valt over het stille straatje. Het is sperrtijd maar bij de keu­kendeur houdt juffrouw Jansen een gezellig praatje. Het is de buurvrouw met haar man. Je kunt ze zo fijn eens uithoren. Niet over de buurvrouw zelf, nee, want ze heeft niks tegen haar. Ze is immers nog een van de weinigen, die evenals de buurman zelf, met haar wil praten. De andere buren schuwen haar man, omdat hij niet staakt. Dan was-ie wel gek ook.

            Het gesprek aan de keukendeur wil goed vlotten. Jansen zelf kan met zijn buurvrouw goed overweg. En de buurvrouw weet ook genoeg.

            Daar wordt gebeld. Zo laat nog? Het is zelfs al sperrtijd. Juffrouw Jan­sen spoedt zich naar voren;  "Wie is daar?"

"Ik kom om inlichtingen mevrouw, over stakende spoorwegmannen...."

De deur gaat open. Daar is ze voor te vinden. Het flitst door haar hoofd: haar man wordt misschien van die kant ook nog uitbetaald...

Met een allervriendelijkste stem toont ze "Komt u binnen meneer".

En de meneer komt binnen.

            Maar wat is dat? Voor ze het goed beseft, staan er twee kerels in de gang. En zie eens, ze hebben allebei een masker voor. In haar angst geeft ze geen acht op de dreigende revolvers. Als een bezetene rent ze de gang door naar achteren, gillend, naar haar man, naar de buurvrouw, naar de buurman. Maar ook daar is de veiligheid ver te zoeken....

            Want daar bij de keukendeur is het een kluwen van armen en benen van Jansen, de buurman en de buurvrouw. Een ruwe kerel, ook al met een masker voor, is achterom gekomen en bezig het drietal naar binnen te schoppen. En dat valt niet mee, vooral niet als juffrouw Jansen de gelederen komt versterken. Geen wonder dat er een weet te ontkomen Het is de buurvrouw die onder ge­roep van "Moord, moord...help!" de tuintjes in vlucht.

 

            En daar staan ze nu, het echtpaar Jansen, de buurman en die vreselijke kerels. Een spreekt kort en bondig tegen juffrouw Jansen. Als ze het waagt te klikken, zal het volgende bezoek ernstiger gevolgen kunnen hebben. Juffrouw Jansen sist van machteloze woede. Hier kan ze niet tegenop. Die ondergrondse is werkelijk gevaarlijker dan ze dacht. Maar het volgende ogenblik krijgt ze een hysterische aanval Ze gilt, dat het door merg en been gaat. Ze grijpt een pook en wil de indringers te lijf. Maar haar man, die ook al heeft geprobeerd de ondergrondse te bepraten, houdt haar ervan terug. De buurman kijkt als een angstige vogel naar links en rechts. Hij vertrouwt die revolvers niet. En dat hij nou juist met die Jansens stond te praten...

De K.P.-ers, want die zijn het, verlaten het huis. Ze laten een ware revolutie in het stille straatje achter. Want die buurvrouw loopt nog steeds gillend door de tuintjes. En juffrouw Jansen gaat krijsend door haar huis, zwaaiend met de ar­men. Het is huizen ver te horen.

 

            Maar in de andere huizen van de straat is het feest. Moeders van onder­duikers en vrouwen van stakende spoorwegmannen verkneukelen zich. En te­gen een w.c.-raampje aan, precies tegenover het echtpaar Jansen, vechten drie onderduikers om het beste plaatsje. Ze willen zo veel mogelijk horen, want de ondergrondse geeft de familie Jansen van katoen.

            Het heeft lang geduurd, voor de rust weergekeerd is in het stille straatje.

 

            Tevreden komen de jongens thuis. Dat mens zal wel niet meer klikken... De vleesverdeling kan doorgaan.

Deze voedselaffaire voor de spoorwegen kost veel tijd en werk.

Vooral Gert-Jan met Gerrie en Klaar spannen zich haast bovenmenselijk in. Maar het moet slagen. Wat moet de staker, als hij geen geld en geen voedsel krijgt? De staking moet doorgaan.

 

 

            Het is juist in deze tijd, als Kees ons roept. Ab, Rien en Henk moeten op pad. Het is donker als we gaan. Het is een vreemd karweitje, wat Kees ons te doen geeft. We moeten zoeken naar stafkaarten die op het kantoor van de wagenwerkplaats ergens liggen. Het zal niet gemakkelijk zijn deze kaarten te vinden. Licht kunnen we bijna niet gebruiken, dat zou ons verraden. Aanwij­zingen, waar ze ongeveer kunnen liggen, hebben we; maar meer ook niet.

            We hebben Henk thuis opgehaald. Hij weet de weg in het gebouw, dus moet hij mee. Door de sneeuw gaan we op weg naar de wagenwerkplaats. De lucht is helder en de sterren fonkelen. Het is een prachtige avond maar toch zouden we het liever anders gehad hebben. Want witte sneeuw en heldere lucht zijn voor ons geen factoren, die meewerken. Door de achtertuintjes van enige huizen bereiken wij ons doel. Even staan we stil, voor we het gevaarlijke ter­rein betreden.

 

            Alleen het geluid van het rangeerterrein dringt tot ons door. Wat rollen­de wagons, hijgende locomotieven en nu en dan het geschreeuw van moffen. Verder is er niets, dat ons behoeft te verontrusten.

Toch nemen we de veiligste weg. Langs en door open loodsen en andere ge­bouwtjes sluipen we vooruit. De revolver veilig in de hand. We zijn bij de in­gang van het kantoor. We gaan nog niet naar binnen.

Eerst weer verkennen. Hoog rijzen de muren van de werkplaats op. Vaag ver­dwijnen de straten tussen de gebouwen in het donker. Sinister steken verbrok­kelde daken met verbroken binten af tegen de heldere koude lucht. Grillig ge­vormde schaduwen strijken neer over het terrein. Het geweld van de oorlog, de chaos scheppende hand van de mof, die dit misschien cultuur noemt, hebben dit eertijds zo bloeiende bedrijf van de N.S. gemaakt tot een karikatuur van wat het eens was. Langzaam wordt het bedrijf leeggeplunderd. Zolang het nog "Kriegswichtige" voorwerpen herbergt, zal er nog Duitse bewaking zijn. Als dat echter door rovershanden weggesleept is, zal het wel overgelaten worden aan de schennende hand van onvaderlandslievende schobbers.

 

            We wachten niet lang, we moeten aan het werk. We gaan naar binnen, klimmen de ijzeren trap op, die zich door de lege donkere ruimte van het ge­bouw kron­kelt en belanden op de kamers, waar we zijn moeten.

            Hier zien we pas goed, hoe de edel-Germanen bezig geweest zijn. Het is een chaos van besmeerde en gescheurde papieren, omvergesmeten kasten en geschonden meubilair. We zien het, we zijn te laat. De mof heeft hier na de sta­king duchtig huisgehouden. We zoeken nog met de smalle lichtbundels van onze zaklampen. Zo verdiept zijn we in ons werk, dat we bijna de wereld om ons heen vergeten.

            Geluid van buiten roept ons weer tot de werkelijkheid... Alsof het afge­sproken is flitsen onze lantaarns uit en luisteren we geknield in de chaos van papieren.

Voetstappen. Geen zware stap van met ijzer beslagen moffenlaarzen.

Maar toch zijn het moffen. Alleen zijn hun stappen gedempt door de sneeuw. Ze schuifelen voorbij, terwijl we ons afvragen, of ze onraad bespeurd hebben. Hun stemmen zijn in de ijle winterlucht beter te horen, hoewel het voor ons on­verstaanbare klanken zijn.

Sssst.

Ze staan stil. Hebben we soms de deur open laten staan en krijgen ze nu arg­waan? Ze schuifelen verder. Zeker een sigaret opgestoken, hoewel dat verbo­den is voor een wacht. Maar het kunnen immers ook spoormensen zijn? We weten het niet, maar het deert ons ook niet, want de voetstappen verwijderen zich.

            We vinden toch iets. Het is maar een brok van een stafkaart. Meenemen maar. Beter iets dan niets. Nog even zoeken we door, maar we zien het hopelo­ze ervan in. We gaan weer terug. Voorzichtig dalen we langs de trap naar bene­den. Even weer uitkijken en als er geen onraad is, steken we het terrein om­zichtig over om even later weer op de straatweg te belanden...

 

 

            Het is alweer twee dagen geleden, dat we op zoek naar de stafkaarten waren. En weer gaan we vanavond naar de werkplaats. Nu moeten we trachten de brandkast open te breken. We zijn gewapend met de sleutel van deze brand­kast. Het zit ons op de werkplaats echter niet erg mee. Want al is ze nog zo dicht, openkrijgen is onmogelijk. De hele kast is ontwricht. Hebben de moffen een poging gedaan om de kast te openen? Of hebben ze het moedwillig ver­nield? We weten het niet.

            Ab draait de sleutel in het slot en trekt; het is tevergeefs.

Als Henk even later de sleutel met zijn stevige knuisten om en om draait, breekt de sleutel af. Verdwaasd zit hij nu naar het stompje sleutel in zijn vin­gers te kijken. Dan gromt hij:  "Zo'n rotsleutel" en met een nijdig gebaar smijt hij het stompje op de grond. Gegrinnik van zijn vrienden brengt hem echter weer in het goede humeur. Het is wel jammer, de brandkast bevat genoeg wat voor ons de moeite waard is.

            Er liggen O.D.-banden in met lijsten voor de Orde-troepen. Ze liggen er sinds 1943. We kunnen de stalen kast echter niet openen. Een troost is er: de moffen hebben hem ook niet opengekregen. We moeten het dan maar laten zo­als het is. Wat ons nu het meest spijt, is de som gelds van tweeduizend gulden die in de brandkast zit. Het is jammer, want het N.S.F. kan geld genoeg gebrui­ken, en dat we weer voor niets gegaan zijn is ook niet leuk. Toch mogen we bij een kleine tegenslag de moed niet verliezen. Daarom gaan we desondanks wel­gemoed naar huis.

            Even later genieten we van een kopje koffie van tante Ans. We krijgen een gemakkelijke stoel en beseffen weer hoe goed we het hebben. Het is ook nergens zo goed als bij tante Ans. Even later komt Kees de gezelligheid verho­gen. En zoals Ans beroemd is om haar koffie, zo is Kees dit om zijn tabak. Ie­der een pakje Consi. Enthousiast blazen we de kamer van Ans blauw. We ver­tellen kort van onze mislukking.

Kees is echter niet zo teleurgesteld. Het was immers wel te verwachten. Hij had er al half op gerekend.  "Kom maar eens mee", nodigt hij ons uit, "dan zal ik jullie weer eens opmonteren". Uit de schuilplaats haalt hij een paar grote zak­ken tevoorschijn. En voor onze verbaasde ogen komen er uit die zakken grote lappen.

"Passen jullie er maar een paar", zegt Kees glimlachend. We snappen er niets van. En als we er weldra een paar aanhebben en ons echt een heer voelen, wil­len we weten, wie die Sinterklaas is. Maar daar hebben we niets mee te maken, zegt hij. We zijn in de wolken, want vooral in dat leer zit muziek. Ja, dat heeft Kees allang bedacht.

Morgen komt er aan vertrouwde schoenmaker, die het leer mag versnijden. Heel illegaal Amersfoort kan er dan van genieten. Op elk bonnetje, dat Kees schrijft, wordt een paar schoenen gerepareerd. Ook andere mensen, die het hard nodig hebben, worden hiermee geholpen.

En wat het mooiste is, de voorraad leer is voorlopig onuitputtelijk. Dat is later wel gebleken ook. Van de stadscommandant der B.S. tot aan de eenvoudigste onderduiker toe hebben allen ervan kunnen profiteren. Het leer was afkomstig van een schoenfabriek. Een knokploeg had het maar meegenomen, voor de moffen het deden.

 

            Een paar weken later heeft Peter wat opgeduikeld. "Hoera voor Peter, sigaren", juichen we, maar Peter schudt zijn hoofd. Welnu, zijn het geen siga­ren, dan wel wat anders, wat ook goed te gebruiken is. Want wat Peter mee­brengt - hij is zo onderhand befaamd geworden met zijn sigaren - is goed. En daar komt het voor de dag. Allereerst wat voor de dames. Kousen...! Ans, Lies en Bep staan te huppelen. En kijk eens: sokken voor de jongens. Uit het laatste pak komen overalls voor de B.S. Ja, zo gaat het. Heeft Kees niets, dan heeft Pe­ter wel wat en een volgende keer is Kees weer aan de beurt.

            Die volgende keer laat Kees niet lang op zich wachten. Op een maan­dagavond komt hij terug uit Spakenburg. Hij is met het weekend bij zijn vrouw en kinderen geweest. Vrolijk ziet hij er niet uit.

Toch geen slecht nieuws, Kees? vraagt Ans bezorgd. "Kijk maar eens in het pak, dat ik meegebracht heb",  is het antwoord. Ans maakt het open, we bekij­ken nieuwsgierig de inhoud. We staan weer versteld. Complete mantelpakjes met blouses en stof voor regenmantels en koeriersters. Het is steeds weer ver­wonderlijk, zoals wij in ons werk gesteund worden. Er is echter ook niets zo­zeer nodig als een goede verzorging van onze koeriersters. Maandelijks gaan ze zelf naar Hoogeveen om daar nog ons illegaal contact met de bekende verzets­groep te onderhouden. Maar nu kunnen ze vooruit, kousen, schoenen, mantel­pak en regenjas. Ze kunnen er weer tegen.

 

            Ondanks deze verrassing, die Kees de koeriersters heeft bereid, schijnt hij zelf niet in een al te beste stemming te zijn. Ans heeft haar vraag van zojuist ook niet voor niets gedaan. Ze heeft wel meer bemerkt. Als hij van Spakenburg komt,  is hij vooral ontmoedigd.

Geen wonder, zijn vrouw Geertje en de kinderen missen hem. En de zorgen voor de opvoeding komen op haar neer. Hij heeft het daar moeilijk mee. En er komt nog iets bij. De omstandigheden, waarin hij elke maandagmorgen zijn ge­zin achterlaat, zijn bepaald niet rooskleurig. Het is maar een klein vissershuisje, waar ze sinds de verwoesting van hun huis door de moffen, ondergedoken zit­ten. Een kamer om in te wonen en een zoldertje om op te slapen. En dat voor drie levenslustige kinderen... En het meest nodige, zoals serviesgoed, bedde­goed en vloerbedekking is er bijna niet aanwezig.

Dit bezwaart Kees.

            Thijs is de eerste die hen weet te helpen. Hij komt thuis met een nieuwe teil, emmers, potten, pannen en nog wat keukengerei. Ja, we voelen het, zo moet het. Kees staat altijd voor ons klaar, wij moeten ons inspannen om hem te helpen. Maar voor we zover zijn, is er al hulp vanuit de stad gekomen. Max is er met Lex en Ericop uit geweest om wat linnengoed voor Kees te bemachti­gen.

 

Laatste aanpassing op 24 sept 2014

 

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar

 

 Enschede in 40-45

beheer