Onze strijd in de bezettingstijd van Amersfoort en omstreken Deel 2

 

Daar in het donker van de oktoberavond is hij niet meer "saevis tran­quillus in undis"; bij zichzelf achter het huis is hij de weg kwijt. Hij stapt over een hekje, loopt door een akkertje tuingrond en denkt: "Nee, ik ben mis". Ge­hurkt tracht hij zich te oriënteren. Tussen een doorgang van huizen ziet hij flauw de lucht schemeren. "Daar zal het pad zijn".

            En onze Kees, vader van negen kinderen, strompelt in zijn eentje over andijvie en boerenkool en trapt in een mestput. Hij schudt zijn natte benen wat uit en zit even later bovenop een kippenhok. Met zijn grote handen betast hij de hoendervilla, maar hij is genoodzaakt een omtrekkende beweging te maken. Dan hoort hij dichtbij mensen praten. Een juffrouw zegt: "Maar meneer, moet u hier wezen?" "Ik geloof dat ik de weg kwijt ben, misschien kunt u mij helpen?" En nu, geïnstrueerd door zijn buren, vindt Kees de uitgang terug.

 

            Bij Gerry in de Hyacinthstraat treffen Kees en Luit elkaar. Maar Kees weet van het arrestatiebevel nog niets af. Als Luit de boodschap van Baas en Los heeft doorgegeven, zegt Kees: "Net op het nippertje ontsnapt". Gerry krijgt het dan ook even te kwaad. Ze denkt aan Gert-Jan, die vanavond nog bij Luit aan zou komen. Als dat huis nu eens bezet zou zijn, dan loopt Gert-Jan in de val. Ze wordt bleker dan bleek. Haar mondhoeken beginnen verraderlijk te tril­len. Als Kees zijn partner op de schouder klopt en zegt "Luit, kop op, 't is oor­log", zegt Gerry "Och Kees schei uit". Waarop Kees vaderlijk zijn arm om Ger­ry's schouder legt en zegt: "Meid, jij moet eerst wat drinken". Samen verdwij­nen ze naar de keuken. Gerry drinkt en knapt op.

            Kees en Luit gaan het donker weer in, op weg naar hun nachtlogies. Sa­men gaan ze door de vertrouwde straten, maar het is nu alles vijandelijk gebied geworden. In het zo gastvrije en werkzame Soesterkwartier loeren thans de Gestapo-agenten en op elke hoek kan een spion staan.

 

            De koster en de ouderling zijn vanaf dit moment toegevoegd aan de schare vluchtelingen voor het aangezicht van de vijand. Gastvrije huizen zullen hun wel opnemen, maar het eigen gezinsleven blijft zonder vader achter.

            Boven de mistrand, die over de huizen hangt, plekt echter nog een stuk­je blauwe hemel met een enkele fonkelende ster. Kees kijkt naar boven en zegt: "Wij zijn vrij en boven ons koepelt de hemel. Wie zou ons wat doen?"

            Op de hoek van het stratennet nemen ze afscheid. Ze drukken elkaar de hand en wijzen op het feit, dat ze hetzelfde contact hebben. Dan versterven hun voetstappen en ligt ieder in een vreemd bed.

 

            Diezelfde woensdagavond zijn Jaap en Gepke uit Amersfoort vandaan gefietst, niets wetend van de nieuwe spanning, die er door het arrestatiebevel bij is gekomen. Ze zoeken moeizaam in de mist hun weg naar Veenendaal. Ge­pkes zenuwen hadden prachtig werk gedaan, maar nu was het ook tijd, dat ze uit de gevarenzone weggevoerd werd naar een rustiger omgeving.

            Luit had iemand opgedragen, door middel van Los, bij het station te posten en Los zelf moest de weg naar Veenendaal op fietsen om zo Jaap in te lichten over de mogelijkheid van gevangenneming.

            In diezelfde avond, nadat Luit, gewaarschuwd door Baas het huis is uit­gegaan, komen de beide heren bij Ans aan de deur. Ze hebben een brief van Hans en vragen naar Gepke. Ans doet de deur niet open maar blaft de bezoe­kers tegen dat ze gerust weer weg kunnen gaan, want dat de bewoners van Dol­lardstraat 58 er niets, hoort u, niets mee te maken willen hebben. Hans heeft zijn erewoord gebroken, en daardoor komt nu de recherche. Het kan haar niets schelen of Hans gepakt wordt "Maar mevrouw, doet u nu even open. We heb­ben een brief van Hans. We moeten mevrouw Westera hebben. Hoort u nu eens".

            Maar Ans is voor geen toenadering vatbaar. Geladen tot aan de nok, lucht ze al haar spanning op de zogenaamde Gestapo-agenten. Het slot was: de heren af en het raampje dicht. Dit harde middel had echter een zeer gunstig re­sultaat. De heer Hollander, het haar onberispelijk in de scheiding, komt een half uur later aan de kosterswoning. Ans met samengeknepen lippen naar bene­den. Als het die krengen weer zijn, nou... ze als ze ontvangen.

Minzaam klinkt in het donker de stem van meneer Hollander:  "Mag ik even de fiets binnen zetten?" "Nou, u bent hier in een verdacht huis". "Ja, dat weet ik, ik kom eens praten".

In de kamer doet Hollander het verslag. Hij heeft bij de heren gezeten, toen Hans de foto's en de sleutelbos afgaf. Hij had zelfs met Hans gesproken. Heus mevrouw, het is safe. Het is safe wat ik u zeg.

            Ans daarentegen beweert, dat Hollander erin gelopen is, net als de rest. Het zijn handlangers van de Gestapo, die nu op zoek zijn naar meerdere adres­sen. Evenwel bereikt Hollander, dat de gemoederen van Ans en Riek wel wat gekalmeerd zijn. Het kon toch wel eens waar zijn. Misschien keert alles ten goede. Of Hollander is ook bedrogen, of de anderen hebben de verkeerde theo­rie gemaakt. En als het waar is, dat die heren Hans in handen hebben, waar komt dan het arrestatiebevel vandaan? En welke rol speelt de heer Slijt? Dat raadsel kon zelfs Hollander niet ontwarren.

 

            De tweede nacht is nog meer geladen met onzekere spanning dan de eerste. Jaap en Gepke die de laatste actie niet meegemaakt hebben, slapen rus­tig en goed in Veenendaal.

            Geertje met haar groot gezin doet vrijwel geen oog dicht.

Ans en Riek zijn bij elkaar gekropen,  ...de traag voorbijkruipende uren... en wachten op het geluid van de bel. Elke ritseling horen ze. Elke auto die pas­seert wordt voor een overvalwagen gehouden, en een kat die om een vrijer roept, doet hen opschrikken.

Kees en Luit brengen een groot gedeelte van de nacht door met gedachten aan hun vrouwen. Zij liggen hier vrij veilig in het vreemde bed. Maar er is veel ge­beden en God legt zijn hand op het moede hoofd van zijn kinderen - en het is rustig geworden.

 

            Donderdagmorgen is Gert-Jan het eerst naar Ans gegaan. Hij hoorde dat er geen bezoek was geweest en vernam het gesprek met Hollander. Zelfs ge­heel gerustgesteld, vliegt hij naar Luit, en tracht die te overtuigen dat het in orde is. Luit echter beweert dat het niet safe is. Het zijn verkeerde kerels en ze moeten zich er niet mee inlaten. Gert-Jan gaat daarop naar zijn baas en vertelt die, dat hij niet kan werken vandaag. Er is noodzakelijker werk te doen, dan plankjes aan elkaar te timmeren.

            Gert-Jan gaat daarna naar Hollander en bewerkt een samenspreking met Kees en Jaap, ten huize van Leussen. Het wantrouwen is nog niet overwonnen, maar het is een wolkje als een man's hand. Jaap gaat later op de dag ook met Hollander naar een aangewezen adres en spreekt daar een van de heren, die Hans onder hun bescherming houden. Hij stelt als voorwaarde: eerst met Hans persoonlijk praten voordat hij medewerking geeft. Er wordt besloten, dat Hans en Jaap elkaar 's avonds zullen ontmoeten. Jaap is echter nog lang niet zeker dat Bob en de zijnen lieden van het goede soort zijn. Er moet zekerheid komen en Jaap is de aangewezen persoon, die zich moet offeren als het misloopt. Hij­zelf is ook vastbesloten, dit als zijn taak te zien.

 

            Kees komt die middag Luit eens opzoeken. Die heeft in zijn kosthuis een dienstmeisje, dat hem goed kent en die hem daarom niet mag zien. Hij moet op de kamer blijven en mag geen geluid maken. Van de nood een deugd makend, is hij rustig in bed gebleven. Lezend in een boek van Norel, doorleeft hij de heldendaden van de soldaten van de Nederlandse Oost-Indische Com­pagnie. De moeizame worsteling om Indië onder Nederlands bestuur te krijgen, leidt zijn gedachten af van de aktuele gebeurtenissen. Hij is nu ondergedoken, want hij is voorwerp van politionele activiteit.

            Kees vindt hem, met zijn vest over zijn borstrok, in bed zittend. "Zo makker, hoe gaat het?"

"O, dat gaat best, zo je ziet. Kom er in en maak het je gemakkelijk". Kees zet zich op de rand van het ledikant en doet verslag van hetgeen hij weet. Veel ver­der zijn ze niet gekomen, er is echter een goede kans, dat er vanavond een op­lossing komt. Blijft echter nog maar over: het arrestatiebevel. Er moet aan Los gevraagd worden, waar die het bericht vandaan had. Kees ontwikkelt verder een plan voor als ze voorgoed moeten verdwijnen. Ze willen eerst zien of er voor vandaag of morgen nadere bijzonderheden te vinden zijn.

Blijkt het echter juist dat ze gezocht worden, dan gaan ze morgenavond naar Spakenburg.

            Kees strijkt een paar maal met zijn hand over een baard van twee dagen en vervolgt dan: "We blijven daar een weekje om op verhaal te komen, laten onze persoonsbewijzen veranderen en zien een visserspakje te krijgen. Ik zie ons al bellen bij Eel in Utrecht. En dan gaan we ook eens naar Hagoort.

            Hij lacht reeds bij het vooruitzicht. Luit is echter niet zo enthousiast. Hij wil graag weer naar moeder en hoopt, dat het een loos alarm is geweest. Kees stemt hier volledig mee in, "Sjonge", zegt hij, "ik slaap zo graag bij Geer­tje". Enfin, we zullen vanzelf wel zien, hoe de toestand zich hier ontwikkelt.

 

            Al pratende schijnt Kees' lichaam aanspraak te maken op rust, want hij zegt: "Wil je wel geloven, dat ik slaap krijg?". Luit schuift direct een eindje op en zegt: "Wel, kerel, doe je schoenen uit en ga bij me liggen". Kees laat zich geen twee keer noden, zet zijn onderdanen naast zich en legt zijn brede donkere kop naast het erg klein geworden gezichtje van Luit. Broederlijk liggen ze zo, Luit op zijn rechterzij, Kees op zijn rug.

"Nou, maf ze".

"We zullen het proberen".

Luit neemt af en toe zijn slapie eens op. Hij heeft moeite zijn lachen in te hou­den over de zotte situatie. Kees' ademhaling gaat rustig als van een kind. Hij heeft de handen gevouwen op zijn buik liggen, maar het schijnt, dat de rimpels op zijn voorhoofd dieper zijn geworden.

 

            Zo broederlijk naast elkaar vindt Gert-Jan het stel. Die schiet meteen in de lach en door die lach is het spul wakker.

            Gert-Jan doet verder op die dag het werk dat er te doen is, en wat anders zou blijven liggen, daar Kees en Luit zich schuil moeten houden. Als Gert-Jan weer vertrokken is blijven de beide vluchtelingen nog boven op de slaapkamer tot de schemering valt.

            Kees gaat weg en Luit kleedt zich aan. 's Avonds zullen ze elkaar weer ontmoeten bij Leussen. Jaap zal daar na afloop van het bezoek aan Hans ver­slag komen brengen. Kees en Geertje treffen elkaar 's avonds bij Fr. Baas. Geertje heeft een kleur als vuur en is tot de top geladen. Ze heeft die dag tot haar jongens gezegd, "Als je vader niet meer thuiskomt, kook ik geen eten meer". Dit zou moeder Geertje wel niet volgehouden hebben, maar het tekent haar toestand wel.

            Luit gaat naar huis en heeft daar een rustig uurtje. Ans en Riek zijn heel wat kalmer geworden, beiden hebben goede hoop. Nu is het echter nog de vraag: hoe zal Jaap het maken?

 

            Tegen negen uur zijn Kees, Gert-Jan en Luit bij Leussen. Mevrouw Leussen zit met hetzelfde gezicht als dat van gisteren en eergisteren in de hoek en schenkt een vriendelijk kopje "Santé" en zucht af en toe eens. Van Leussen komt even later binnen en montert het gezelschap op door een verhaal over twee verdacht uitziende personen, die bij dominee Holwerda waren geweest om geld en bonnen. Die konden best eens dezelfden geweest zijn als degenen, die in dit geval betrokken waren. Ook meldde hij even, dat dominee Popma een van de rechercheurs (die het vertrouwen van de club genoot) wantrouwde. Zie­zo, dat kon er net nog bij.

 

            De tijd verstrijkt, het wordt kwart over negen, half tien en nog geen Jaap. Het voor en tegen van dat late komen wordt ijverig besproken.

Maar toen het tegen tienen begon te lopen, leek het wel of er een stille panto­mime opgevoerd werd. Niemand zei meer iets en iedereen keek alsof hij gesto­len had af en toe naar de klok. Deze liet tien sombere slagen horen en nog geen Jaap. Zou het een val zijn en zou hij nu al op het politiebureau zitten?

            Ruim tien uur werd er gebeld. Kees en Luit verdwijnen even in de keu­ken, maar komen spoedig terug daar Jaaps bekende stem het vertrek vult. Zwalkende vissers op een woelige zee hebben een juichend gevoel in zich als ze het bekende licht van hun eigen haven voor de boeg hebben. Frontstrijders gaan zingende door het eigen huis als ze met verlof zijn, maar ze kunnen van geen grotere last bevrijd zijn, dan Kees, Luit en Gert-Jan op het moment dat Jaap zegt:  "Ik geloof dat alles in orde is. Ik zelf vertrouw de zaak absoluut, er zit iemand tussen die ik heel goed ken. Daardoor is de zaak nu bij mij duidelij­ker geworden".

 

            Hij geeft dan verder verslag. Hij heeft Hans gesproken. Die was erg nerveus en wist eerst niet wat Jaap wilde. De heren hadden de woorden van Ans overgebracht en nu wist die arme Hans ook niet meer wat hij moest gelo­ven. Jaap stelde hem echter spoedig gerust en de vertrouwelijke sfeer was weer hersteld.

            Hans vertelde, dat hij naar zijn vroegere pension gevlucht was. Hij had de fiets van Gepke achter het huis gegooid en was zelf achter een mesthoop in de tuin gaan zitten. De recherche was hem vlug gevolgd. Men had het huis doorzocht en in de tuin gekeken, maar hem niet gevonden. Hans bekende zelf, dat hij erg dom gehandeld had, want ze hadden hem heel gemakkelijk kunnen vinden. Hij was echter bewaard gebleven door een Hogere Macht.

            Toen de achtervolgers verdwenen waren, was Hans door een achterdeur het huis binnengestapt, tot zeer grote verwondering van de dames. In de gang hing een uniformjas van de Spoorwegen en een dito pet. Hans ziet een nieuwe kans en kleedt zich als controleur van de Nederlandse Spoorwegen. Geen nood. Met een rij glimmende knopen aan zijn jas en een gebiesde pet verlaat Hans het huis opnieuw en wandelt van daar naar Hollander. Nu had Hollander direct naar Kees of Luit moeten gaan en dan was veel spanning en onrust voorkomen geweest. Deze vond het echter beter een ander contact aan te spreken, met het gevolg, dat er twee totaal onbekende personen in het Soesterkwartier kwamen, die geen vertrouwen genoten. Enfin, zand erover. Alles is ten goede gekeerd en opgelucht gaat een ieder naar zijn bedje.

            Kees en Luit gaan nog even de uitslag aan Ans vertellen, Ans is zo blij, dat het maar een haartje scheelde of ze had Kees een zoen gegeven. Gert-Jan gaat de goede tijding even bij Geertje vertellen.

 

            Die nacht slapen de mannenbroeders mitsgaders de vrouwenzusters heel wat beter dan de twee voorgaande nachten. Er bleef nu echter nog één punt over: het arrestatiebevel voor Kees, Jaap en Luit. Van Los hebben ze gehoord, dat Slijt de opdrachtgever was. En Slijt zegt dat hij de persoon, waar hij het van heeft, niet wil noemen. Maar Slijts houding is hier niet erg zeker. Hij zegt met een politieman gepraat te hebben over de mogelijkheid van vrijmaking van Hans. Als er dan een rechercheur voor zou moeten duiken, zou die gesteund moeten worden. En daar was dan die 1400 gulden voor geweest. Na een ge­sprek met zijn contact zegt Slijt dat het arrestatiebevel wel in de doofpot zal gaan.

 

            Alles bij elkaar genomen wordt vastgesteld dat Slijt gefantaseerd heeft, en dat er in werkelijkheid niets van waar is. Feit is, dat Hans vrij is, Gepke in veilig­heid en zo 't nu blijkt, de overgebleven vrienden het werk kunnen voort­zetten.

            Er zijn spannende dagen geweest, er is angst voor hun zelf en voor el­kander geweest, maar het eindresultaat is verrassend heerlijk.

 

            Vrijdag 29 oktober was Luit jarig. Zelf had hij zijn verjaardag in ge­dachten reeds in ballingschap gevierd. En nu was de hele club, Hans en Gepke uitgezonderd, aan Dollardstraat 58 aanwezig. De avond was gevuld met het op­halen van bijzonderheden, vertellen van hun spanning en doorgestane angst. Maar de danktoon voor de leiding van Onze Vader in al deze verwikkelingen was overheersend.

De vriendschap had de vuurdoop ontvangen en deze schitterend doorstaan.

 

einde verhaal Luit

 

            Nu Peter diep gedoken zit, is Luit districtsleider. Hij doet het, maar het eist van hem bovenmenselijke krachtsinspanningen.

            In ons distributieapparaat dreigt een kink in de kabel te komen. De mof­fen, die wel weten dat er bij de distributie een volledige sabotage bestaat voor de hulp aan onderduikers, en die ook wel weten dat de "kraakjes" van de distri­butiekantoren etc. nu niet bepaald geschieden door het gewapend optreden van zwarte handelaren, menen een vondst gedaan te hebben. Ze verdelen het land in distributiekringen met een eigen nummer. Nieuwe stamkaarten worden uit­gereikt. De eigenaars moeten zelf komen met hun eerste distributie-stamkaart en persoonsbewijs. Een hoekje uit de oude stamkaart geeft recht op een nieu­we. Een zegeltje van het kringnummer op het persoonsbewijs en het is klaar. Laat nu de onderduikers maar komen.

 

            Even is er hoogspanning in ons land. Zal dat de gevreesde aansluiting van de onderduikers ten gevolge hebben? Maar illegaal Holland lacht. Vóór de zegeltjes met het kringnummer verschijnen, zijn ze al gekraakt.  In Tilburg worden er tienduizenden meegenomen. En stempels met kringnummers zijn gauw genoeg bijgemaakt. Contrabonnetjes met kringnummers geven alleen maar iets meer moeilijkheden dan vroeger en alles gaat op de oude voet voort.

            Plaatselijk hebben we bovendien veel medewerking van de onderwij­zers, die aan de nieuwe regeling mee moeten helpen. We knippen de hoekjes van de oude stamkaarten, leveren die in en wij ontvangen nieuwe stamkaarten met zegels van personen die in Duitsland werken. Hulde aan het onderwijzend personeel... Zo gaan we weer welgemoed verder. Voor elke moeilijkheid is er een oplossing. De oplossingen zijn wel niet altijd rekenkundig juist, dat wil zeggen, er is veel dat niet helemaal klopt, maar welke mof kan nu op z'n Hol­lands rekenen?

 

            Zo is er de moeilijkheid met onze jongens, die in de A.D. moeten. Kees gaat aan het werk. Hij zendt een brief aan de commandant van de A.D. Hierin staat vermeld dat die en die jongen wegens vrijwillige dienstneming aan het Oostfront, in het Duitse leger, niet op kan komen voor de A.D. Hij vraagt voor genoemde jongeman vrijstelling. De brief is ondertekend door een N.S.B.-bur­gemeester. De kampcommandant leest, ziet de handtekening van N.S.B.-burge­meester en zegt "Klopt", zendt een vrijstelling voor de jongeman en is zelf te­vreden over de accurate plichtsbetrachting.

            Maar in werkelijkheid klopt er niets van. De jongen is niet aan het Oostfront. Hij loopt vrij rond. En de handtekening is ook niet helemaal van de burgemeester; zijn handtekening is afkomstig van een stempel, dat van zijn bu­reau verdwenen is. Die vrijstellingen zijn verder aardige dingen om na te ma­ken. Weldra lopen verschillende jongelui met zo'n vrijstelling op zak.

 

            Sterfgevallen, die in normale tijd niet helemaal zouden kloppen, zijn echter normaal in een abnormale toestand. Er komt een jongen met verlof uit Duitsland. Idee om terug te gaan na zijn verloftijd heeft hij niet. Daarbij heeft hij oprecht berouw over zijn onprincipiële houding. In Duitsland wacht echter een lotgenoot, die met verlof mag als de ander terugkomt. Een en ander is ver­velend. Daarom een radicale oplossing:  laat hem doodgaan... is de raad. Nu gaat hij in werkelijkheid helemaal niet dood, wel wordt er een uittreksel uit de overlijdensacte, alweer ondertekend door de N.S.B.-burgemeester, opgestuurd naar de fabriek in Stuttgart, waar de jongen werkte. Andere jongens, vrienden van de overledene, sturen berichten aan hun ouders in Amersfoort dat hun vriend overleden is. Deze ouders betuigen hun deelneming met de getroffen ouders, die werkelijk niet weten of ze huilen moeten of lachen.

Zo overlijdt er nog menigeen, de één wordt zogenaamd in de trein gemitrail­leerd en een ander sterft in zijn bed.

Als de mof maar bedrogen wordt.

 

            Tussen deze bedrijven door stapelt het werk dat maandelijks en dage­lijks weer terugkomt, zich steeds meer op.

Zo zijn er bijvoorbeeld de nationale gevallen, zoals gezinnen van gefusilleer­den of veroordeelden, van vaders op zee of in Engeland. Ze hebben bijzondere zorg. Ze worden geholpen met geld, voedsel en brandstoffen. Deze steungeval­len, die van het N.S.F. betaald worden, worden steeds talrijker, vooral daar Soest en Soestdijk ook door ons verzorgd worden.

            Het is dan ook een hele opluchting als het districtsleiderschap over-ge­dragen kan worden aan Tonny (Jos), die zonder zorg van een huisgezin en met volle beschikking over zijn tijd zich helemaal geven kan. Deze schikking gaat met gezamenlijk overleg. Toch houdt de ontheffing van het districtleider-schap geen ontheffing van talrijke illegale acties in. Integendeel. Hetzelfde werk blijft; alleen gaat nu het contact dus over Tonny (Jos), en die verant-woorde­lijkheid, met de bezoekers en alle risico's daarvan, geeft enigszins verademing.

 

            Veel tijd om op adem te komen is er niet. Overal zijn de zorgen. Alles vraagt bijzondere aandacht. En altijd weer is er de verontwaardiging als je be­denkt, wie die zorgen geven en die bijzondere aandacht vergen. Het zijn meest­al je eigen landgenoten, die wel "goed" willen zijn, maar door hun on-Neder­landse houding de zaak verknoeien.

            Bij de Nederlandse Spoorwegen is een dergelijke on-Nederlandse hou­ding bij lager, zowel als hoger personeel te constateren. Een ingenieur dreigt met korting op loon of inhouding van promotiekansen, indien gesaboteerd wordt met veelvuldige ziekte-aangifte. Deze bekendmaking wordt aangeplakt in de werkplaats van de N.S., een bedrijf dat in deze dagen door reparatie aan wagons het vervoer in stand houdt.

            Namens "Strijdend Nederland" wordt de ingenieur een dreigbrief toege­zonden, waarin hij tot de orde wordt geroepen.

            De mannen van de wagonwerkplaats wonen een lezing bij over zelfbe­scherming bij luchtaanvallen van Engelse vliegers. Wanneer dit gebeurt, doof dan zo snel mogelijk de uitgeworpen luchtfakkels, op die manier kunnen de Engelse vliegers het doel (Duitse oorlogsindustrie) niet bombarderen. De spre­ker wordt zo ook het een en ander onder de neus gewreven.

            Een dreigbrief wordt eveneens gestuurd naar de ziektecontroleur, die moet trachten sabotage door ziekte op te sporen en te voorkomen. Zijn ijver wordt na de brief aanzienlijk minder; wat voor 's mans toekomst ook maar het beste is...

 

 

Aan de andere kant van de Noordzee schijnt de militaire bedrijvigheid toe te nemen. Althans is de reactie onder de moffen zeer goed merkbaar. Foto's en be­schrijvingen over de geweldige atlantikwal zijn tenminste een duidelijk bewijs ervan, en eveneens het tweede front, waar ze toch zo bang voor zijn.

Zekerheid dat de Amerikanen en Engelsen “loskomen” zullen, hebben we na­tuurlijk niet, maar toch zijn er tekenen, die erop wijzen; o.a. de toenemende ac­tiviteit van de O.D., waarin wij als verzetsgroep opgenomen zijn. En werke­lijk geloven wij dat de strijd niet meer veraf kan zijn. De O.D.-banden met de pro­clamatie van de koningin zullen wie weet hoe gauw nodig zijn.

            En de invasie komt. Echter niet in ons land. En juist een paar dagen voor het zover is, krijgt onze verzetsgroep een klap, die ons zelfs de vreugde over de invasie in Normandië doet temperen: Luit en Jaap worden opgepakt... Maar voor het zover is, gebeurt er veel.

            De dagen zijn zwaar van spanning. We weten, dat meer dan ooit, vooral na de ontvluchting van Peter, de grijpende klauw van de Gestapo dichtbij is. Luit en Jaap wordt zelfs aangeraden onder te duiken. Maar wie doet dat nu graag; onderduiken is schuld bekennen en je werk loslaten.

Onder deze hoogspanning wordt er gewerkt. Het lijkt wel, of nu juist alles op je aan komt.

 

 

Het is nu 1 juni,  's avonds zeven uur. Er is een rechercheur die belangrijk nieuws komt vertellen. Albert Rozema zit met zes van zijn helpers in de cellen van het politiebureau. Morgen vroeg vertrekken ze naar Vught, waar ze ver­hoord en misschien wel veroordeeld zullen worden. Vervolgens komen zij weer terug naar het concentratiekamp Amersfoort, waar ze ook vandaan komen. Door contact met het kamp door middel van briefjes en door onze vrienden uit Hoogeveen wisten we reeds dat deze Drentse groep in Amersfoort zat.

 

            "Kom mee man", spreekt Kees, "we gaan naar Luit". Die avond wordt er druk beraadslaagd. "De celdeuren openmaken"', pleiten Luit en Kees. Dit is juist de moeilijkheid voor de rechercheur. Dat betekent voor hem onderduiken met zijn hele gezin. Daarvoor is de tijd te kort.

            Dan een andere mogelijkheid, maar die is er niet. Een K.P. hebben ze niet bij de hand. De rechercheur gaat weg. Hij zal een collega raadplegen. Kees gaat ook vol met aanstormende gedachten naar huis. Veel slapen doet hij niet.

Hee, wat is dat? Er wordt gebeld. En dat in de nacht. Hij staat naast zijn bed. Het is vier uur. Wie kan dat zijn? Reden tot vrees behoeft hij echter niet te heb­ben:  't is Ans. "Kees, er is een oplossing". Ze vertelt, Luit heeft de hele nacht met twee rechercheurs beraadslaagd. Het is het beste dat hij, Kees, naar Am­sterdam gaat, zo gauw mogelijk. Als hij daar de K.P. van Albert Rozema op­haalt, kunnen ze gezamenlijk een poging tot bevrijding doen.

 

            Weldra staat Kees op het perron in Amersfoort. De borden voor het ver­trek van de treinen wijzen aan: Utrecht 6.23 uur en Amsterdam 6.27 uur. En dan ziet hij ze binnenkomen, Albert en zijn mannen, onder geleide van de poli­tie. Ze zien er afgemat uit. O, hij voelt zijn onmacht. Hier alleen kan hij niets voor hen doen. Brood kan hij ze geven, en in stilte smeekt hij God om een ze­gen over de plannen tot bevrijding. Hij spreekt de mannen moed in. 't Is ellen­dig, die ogen, die je zo smekend aankijken, die alle hulp van je verwachten en dan zelfs nog niet te weten, of je wel ooit zal kunnen helpen.

            Met de agenten valt niet te praten. Als de trein om 6.23 uur met de ge­vangenen vertrekt, zit Kees enige minuten later in de trein naar Amsterdam. De K.P. is gauw gevonden. Dat is tenminste een meevaller. Intussen plannen ma­ken. De enige manier is een overval doen als de gevangenen op weg zijn van het kamp Vught naar het station Vught.

            In Vught heeft Kees kontakt met een agent. De middaguren verstrijken. Ze hebben een geschikt punt gevonden om de bevrijding te wagen. Maar laat in de middag komt de teleurstelling...

De agent bericht, dat de gevangenen in het kamp zullen blijven om daar be­recht te worden. Verslagen reizen ze terug naar Amersfoort. En onderweg ziet Kees van het voorbijglijdende landschap niet veel. Hij ziet slechts die angstige ogen van de gevangenen, die op hem hun hoop hadden gevestigd.

            Laat in de avond komen ze in Amersfoort aan. Op het perron staat zijn dochter Ger. En weer moet Kees slecht nieuws vernemen. Luit is opgepakt en Jaap de Graaf ook. Hij mag niet naar huis. Het is een geweldige slag. Zo na is de SD gekomen. Zijn beste vriend, waarmee hij lief en leed in illegale actie heeft gedeeld... weg.

't Is een dag vol tegenslagen.

 

 

Terwijl Kees op reis is, gaat Luit onvermoeid door. Hij moet nog veel doen vandaag. Geslapen heeft hij bijna niet, maar dat is in deze dagen van spanning bijzaak. Hij spreekt met zijn vrouw Ans af, dat, mocht er onraad zijn, zij een handdoek buiten het w.c.-raampje moet hangen. Je kunt nooit weten. 's Mid­dags laat weer thuis. Ach, Ans weet dat wel, Luit is nooit op tijd met eten. Maar hij is ook overal nodig. Het is steeds weer een verademing als ze hem thuis hoort komen. Daar komt hij, gelukkig. Gauw z'n eten klaarzetten. Na het eten is het alweer werken. Ruurd uit Utrecht moet hem spreken. Lang is Ruurd er niet. Zelfs een kopje thee slaat hij af. Hij moet naar de trein en hij kan hem nog net halen, als hij nu meteen opstapt. Ruurd is weg en Luit ligt op de divan. Heel even slapen en dan weer weg.

 

En in dat ogenblik komen ze.

            Ze treffen het. Door een zijdeur van het kosterhuis, die toegang geeft tot de consistoriekamer, waar school gehouden wordt, stappen ze naar binnen. En nu staan ze voor de divan, waar Luit op slaapt.

Ze maken hem wakker. Hij begrijpt alles, maar zijn gezicht is als een masker. Waar kan hij de heren mee van dienst zijn?

            "Je moet mee, eindelijk hebben we je dan, schurk".

Huiszoeking volgt, maar Luit heeft alles al weggebracht: hij heeft dit verwacht. Jammer, ze vinden nog een nieuwsbode.

Afscheid nemen van zijn vrouw en van een van zijn dochtertjes, die thuis is. Ja­wel, maar zij blijven erbij. Zo vertrekt Luit, kalm, vol van geloofsvetrouwen.

            Verslagen blijft Ans achter. Wat nu? Waarschuwen.Gert-Jan en de ande­ren. Jaap wordt ook gewaarschuwd. Hij gaat naar zijn duikadres bij baron Van Heemstra... en is hij geschaduwd, of weet de SD alles? Want ook daar verschij­nen de mannen van de Duitse geheime politie. Ook Jaap wordt gearresteerd.

            Jaap, onze kalme stoere medewerker, met zijn rotsvaste overtuiging dat hij strijdt voor God en zijn land - gearresteerd. Wat betekent dan dit alles? Is het verraad?

 

 

            In de Gansstraat zijn Luit en Jaap opgesloten. Zij zijn vol vertrouwen. Afspraken hebben ze reeds lang gemaakt, in geval van arrestatie. En nu de ver­horen; maar afwachten... Ach, het blijkt al spoedig, dat ze weinig weten. Ze vermoeden veel, maar echte feiten, die je de kogel bezorgen, weten ze niet. Toch leeft er bij Luit een angst. Bij het verhoor is gebleken, dat ze vermoeden wat er zich in de kerk bevindt. Als ze dat vinden, is hij verloren.

            Onder de kerkvloer bevinden zich de O.D.-geheimen. Proclamaties van de koningin en O.D.-banden... en nog vier radiotoestellen... Wat nu? Contact met de buitenwereld heeft hij niet. Dan doet hij een noodsprong. Hij bevuilt zich moedwillig. Als hij een verschoning van de wasman krijgt, waagt hij het. Wij weten het, hij heeft het gedurfd met biddend overleg.

"Wasman, ben jij een vaderlander?"

Het is alles of niets.

Luit kan dankbaar zijn. De wasman brengt een briefje over dat luidt: "MAAK DE KERK SCHOON"...

 

            En daar staan ze dan. Kees met vrouw, dochter en zoon, Gert-Jan met Klaar, zijn schoonzusje. Ze hebben de noodkreet van Luit begrepen. Ze gaan de kerk schoonmaken. Maar het moeilijkste van het geval is: de Gestapo zwerft om het huis. Reeds een paar maal zijn ze om Ans geweest; nog juist op tijd is ze gewaarschuwd. Een van de rechercheurs heeft een gesprek af kunnen luiste­ren, dat handelde over haar arrestatie. Nu is Ans veilig, evenals de kinderen, ondergedoken. Daarom, voorzichtig zijn. Eerst worden er posten uitgezet die elkaar door zwaaien met de hand zullen waarschuwen, dat er onraad is. De twee meisjes zullen, bewapend met emmers en bezems, zogenaamd gaan schrobben. Kees met zijn zoon Jaap en Gert-Jan zullen de zaak er uit halen. Het luikje in de kerkvloer wordt geopend. Gauw de pakken gegrepen. Maar is het niet reeds te laat?

 

            Kees' vrouw zwaait, weg met de pakken... Kees neemt die van Gert-Jan over. Pas op, Gestapo. Ze staan stil bij Kees' vrouw.

"Wat betekent dat gezwaai?" Ze vertrouwen dat mens niet.

"Wel meneer, ik zwaaide naar die juffrouw ginds, of mag dat niet?" Ja, ze zien die juffrouw. Ze weten echter niet dat die juffrouw ook in het complot zit en dat die juffrouw het eerste sein van hun komst doorgaf.

Dat praatje van de Gestapo met zijn vrouw heeft misschien Kees' leven wel ge­red. Hij heeft nu onopgemerkt het pak in veiligheid kunnen brengen. De Ges­tapoknechten rijden door. Nu weg met het tweede pak. Als ze komen, zijn ze verloren. Met gespannen zenuwen handelen ze zo. En nog maar net is alles weg, of daar komen ze. Even worden ze nog aan gehouden; wat of hier te doen is? Maar ze mogen nu vragen... Alles is immers weg. God is hen nabij geweest.

 

            De volgende dag is er een briefje op weg naar de Gansstraat.

Luit ontvangt ook pakjes. "Heel de bajes", zo schrijft hij, "viert feest als er pak­jes komen". En een gevangene, die ons allen zeer dierbaar is, kan vol goede moed nieuwe verhoren doorstaan.

            Er blijkt weldra, dat ze hem, evenmin als Jaap, nergens op kunnen van­gen. Toch komen ze niet vrij. Onze vijanden beschouwen hen als staatsgevaar­lijk en daarom wordt Vught hun verblijfplaats.

            Het is slechts het begin van hun ellende. Zoals zovelen zijn ze
naar Duitsland vervoerd, om nooit meer terug te keren.
Van Jaap is er nooit een bericht van zijn overlijden gekomen, hoewel met ze­kerheid aangenomen wordt, dat deze stille stoere werker niet meer tot

de levenden behoort. Van Luit hebben we persoonlijke gegevens van zijn laat­ste uren. Alle gevangenen, die hem hebben meegemaakt in Duitslands gruwel­kampen, en die het hebben overleefd, zijn zonder uitzondering door dit feit ge­troffen: zijn sterk geloof en zijn onwankelbaar vertrouwen op God. Zelfs in de kampen was hij de leider van het verzet, al was dit zuiver geestelijk.

            Elke morgen ging er een tekst uit Gods Woord door heel het kamp. Dit was uit het bijbeltje van Luit. Zijn medegevangenen wisten dat Luit een waar kind van God was. En daarom luisterden ze graag naar hem, omdat zijn geloof bij hem leefde. Met zijn woorden, die altijd nog vurig en overtuigend waren, wist hij zijn luisteraars tot God te brengen.

 

 

            Iedereen kende hem in Amersfoort.

Met zijn fietsmand zag je hem overal gaan. In zijn mand waren echter alle ge­vaarlijke artikelen, die bezwarend zijn voor een illegaal werker, maar verbor­gen onder zijn boodschappen. Zo kon hij onopvallend werken en hij was wer­kelijk onvermoeibaar. Nachten kwam hij niet in bed. Zijn huis was een knoop­punt van illegale werkzaamheden. Niet alleen in Amersfoort, nee, door heel het land was het kostershuis bekend. Verschillende malen vergaderde de top in Luits huis of op de kerkzolder.

            En bij dit alles was niets hem te veel. Hij nam zelfs nog een Joods meis­je in huis toen zijn illegale activiteiten al spanning genoeg gaven. Maar hij vond dat onder alle omstandigheden zijn plicht, Christus' gebod voor hun moest gelden.

Dit geloofsvertrouwen van Luit konden wij allen, juist in die dagen, zo moei­lijk missen. Maar God had andere wegen voor hem. Luit en Jaap, elkaars trou­we vrienden, waren in Amersfoort de pioniers van het verzet...

 

            Jaap en Luit zijn weg, maar naast dezen doet de Gestapo nog een greep. Bij Siem vangen ze bot: die hoort bij Heemstra van Jaaps arrestatie en vlucht. Het is net op tijd. Als ze komen om hem te halen, is hij net tien minuten weg. Maar ze wachten; wie weet komt hij terug. Even later belt Simonse aan. Het is de hoofdverspreider van het Nieuwsblad, waar wij afnemers van zijn. Hij wil Siem vertellen van Luits arrestatie, om hem te waarschuwen. Zonder meer wordt Simonse meegenomen. Ook deze werker, die bij onze groep bekend was, is voor zijn vaderland gevallen. In Duitsland is hij gebleven. De SD heeft ver­schillende slachtoffers gemaakt. Toch slaan haar grijpende klauwen ook wel eens mis.

 

            Voor het huis van Gert-Jan houdt op zekere dag een auto stil. Drie heren stappen uit. Voor Gerrie weet wat er gebeurt staan ze binnen. Ze staat de SD-agenten, want die zijn het, kalm te woord maar haar hart bonst van spanning. Goed dat ze nog geen half uur geleden de P.B.'s bij zich gestopt heeft, die Gert-Jan in de kamer had achtergelaten, flitst het door haar hoofd. Bij haar zijn ze veilig. Als Rien nu maar niet komt.

Haar man, nee, die is niet thuis, die is naar zijn werk.

Gelukkig is hij daar in werkelijkheid niet, maar het antwoord is daarom juist zo prachtig; het heeft alle schijn van waarheid.

Ze zijn weldra weg, op zoek naar Gert-Jan.

            Intussen fietst Rien van huis naar de stad. O ja, eerst nog even bij Gert-Jan aan, voor die P.B.'s. Hij rijdt de straat in, waar Gert-Jan woont, maar erg ver komt hij niet. Als hij een auto voor de deur ziet staan, keert hij weer om. Hij begrijpt dat er onraad is. Als hij tien minuten later de auto uit de straat ziet komen, gaat hij eens op onderzoek uit, terwijl hij zichzelf gelukkig prijst dat hij niet een half uur eerder bij Gerrie aangekomen is. Dan zou hij nu deftig in een auto rijden; maar hij zit liever op zijn oude fiets.

            Als hij langs het huis van Gert-Jan rijdt, bonst Gerrie op de ruiten. Daar heeft Rien op gewacht. Er is dus niemand achtergebleven, die eventueel bezoe­kers uit naam van de SD ontvangt. Wel, dan kan hij naar binnen gaan.

            Voor hij het hekje geopend heeft, staat Gerrie al in de deuropening. "Vlug Gert-Jan waarschuwen... gauw", fluister ze hem toe. "Hier", zegt ze, ter­wijl ze hem een stapeltje bezwarende papieren in de handen stopt, die ze van onder haar kleren vandaan haalt.

Gert-Jan wordt gewaarschuwd, en Gerrie kan gerust zijn.

Bij Harm, de ambtenaar van het Gewestelijk Arbeidsbureau komt de SD ook. Harm wordt meegenomen, maar na een week weer losgelaten.

            Het is een bewijs, dat de SD dicht aan onze poorten staat, en dat ze hier een broeinest van verzet vermoedt.

 

            We moeten daarom voorzichtig zijn, maar al vrezen we voor nieuwe aanvallen, toch gaan we verder met de strijd. We weten dat onze vrienden in de gevangenis niet anders willen. We bergen alles goed op, zoeken zolang een kosthuis en gaan tastend verder. De contacten van Luit moeten onder andere ook weer opgenomen worden. Ans, die als vrouw van Luit hem in zijn werk ondersteunde, en die de illegale vrienden van haar man dikwijls heeft ontmoet, brengt Kees met hem in contact. Dat Kees hierbij voorzichtigheid betracht is vanzelfsprekend. Aan zijn huis is het te gevaarlijk, daar kan hij hem niet ont­vangen. Dan maar de vrije natuur in.

            Zo gebeurt het, dat een van de eerste ontmoetingen die met de heer Schaap (Dr. D., de latere districtcommandant van de BS) plaatsvindt in het bos Birkhoven. Zo kan het werk, waarvan Luit de grondslag gelegd heeft, voort­gang vinden.

 

 

            De moeilijkheden voor de zakenmensen zijn ook gekomen. De Duitser heeft arbeidskrachten nodig. En daarom zal een totale registratie van alle zaken met hun personeel geen windeieren leggen.

            Je hebt alle gegevens, die nodig zijn om bedrijven aan te wijzen die bij de Duitse oorlogsmachine ondergebracht kunnen worden, en je kunt het perso­neel van de bedrijven laten inkrimpen om al het overtollige personeel naar Die Heimat te sturen.

            Daarom moet ieder bedrijf "Z-kaarten" aanvragen, invullen en opsturen naar het Arbeidsbureau. Niet doen betekent: hier volgen weer de gewone be­dreigingen.

 

            Als verzetsgroep doen we hier braaf aan mee. Verschillende jongens gaan naar de Kamer van Koophandel. Ze vragen de "Z-Karten" die daar ver­krijgbaar zijn. De een wordt door deze en de ander door die zaak gestuurd.

            De Kamer van Koophandel reikt de kaarten aan deze plichtsgetrouwe mensen uit, die echter als onvervalste leugenaars door geen enkele zaak zijn gestuurd.

            Al gauw hebben we een mooie verzameling Z-kaarten. Wat is nu het snode plan?

 

            Elke zakenman, die principieel geweigerd heeft aan deze registratie mee te doen, kunnen we helpen. Onze ambtenaar aan het Arbeidsbureau vult alles in, met echte stempels versierd. De kaart die doorgezonden moet worden naar het centrale Arbeidsbureau in Den Haag, wordt niet verzonden. Daarmee is al­les klaar.

            De zakenman kan bij controle zijn gestempelde "Z-Karte" laten zien, en wanneer het nodig is, schuift onze ambtenaar de kaart voor het Gewestelijk Ar­beidsbureau ertussen. Den Haag heeft geen gegevens en toch is de zakenman gered.

 

Weer schipbreuk voor de mof....

            De tijd gaat snel, evenals de opmars der geallieerde legers.

De dag schijnt niet ver meer, dat Neerlands grenzen overschreden zullen wor­den. De O.D. moet aan het werk. De proclamaties van de Koningin worden klaargelegd. Twee plakploegen worden samengesteld, om straks de bevrijde burgers gelegenheid te geven, de tot rust en orde opgeroepen woorden van H.M. de Koningin te lezen.

            Nooit hebben we in die dagen vermoed, dat de bevrijding nog zo ver weg was.

            't Gelijkt immers op een algemene ontruiming van ons land. Duizenden voertuigen van de mof en de N.S.B-ers, bedekken de wegen. Tientallen treinen sto­men naar het oosten. Er heerst een hoera-stemming onder de Nederlanders.  'Dolle Dinsdag' is het in de historie geworden.

            En we juichen, als we de Engelse vliegtuigen (jagertjes)  zien duiken. Ze stichten paniek en verwarring. Maar met juichen alleen bereik je zo weinig. Kunnen we dan niet meehelpen. Die verwarring te vergroten? Weldra hebben we het gevonden. Kopspijkers....     

Vooruit maar jongens, zakken vol. Zo lopen we als echte Sinterklazen kopspij­kers inplaats van pepernoten te strooien. En de moffen krijgen al dat lekkers, omdat ze zo zoet naar huis toe gaan.

            Kees, Gert, Jan en Wim strooien ook, maar hebben pech. Ze hebben al heel wat gestrooid. Kijk, daar komt een duitse legerauto aan, met lekke banden. Een officier springt woedend uit de cabine. Zijn ze gesnapt? Kees z'n handen, die blauw zien van de spijkers, woelt met zijn handen door de spijkers. De mof is rood van kwaadheid. Kees begrijpt hem niet. "Spijkers oprapen, zegt me­neer?" Onderdanig pakken zijn vingers de kopspijkers van de weg. Ja, dat be­doelt heer Officier. De mof vermoedt niet, dat die onnozele burger hem lekke banden bezorgd heeft. Maar de sukkel moet maar eens boeten voor de sabotage van zijn medeburgers.

            Maar die hoera-stemming duurt niet lang. We begrijpen, dat de gealli­eerden dat razende tempo niet vol kunnen houden. Er zijn al Nederlandse ste­den bevrijd, o.a. Maastricht, maar we behoeven nog geen verdere opmars te verwachten. Eerst een tijdje van rust om zich voor te bereiden voor een volgen­de stoot,  lijkt het meest waarschijnlijkst. Maar we realiseren het ook, dat dit betekent, dat Nederland in het frontgebied ligt. Er valt nu dus voorlopig wel wat anders te doen dan plakken. Daarom dus ons oude werk weer opgepakt. Niet denken, dat alles nu voorbij is. Beseffen, dat alles dubbel gevaarlijk wordt en dat daarom voorzichtigheid geboden is.

            Zo gaan we dus met ons oude werk voort. In de verspreiding van "Trouw" zijn we altijd sterk geïnteresseerd geweest, omdat principiële voor­lichting ons volk het best bewapent.

            Maar in deze dagen van geruchten zijn wij het met de andere illegalen groepen eens, dat het juiste kijk op stand van zaken, ook onontbeerlijk is voor de bevolking. In samenwerking met de andere illegale pers wordt er een z.g. Oranje Bulletin in het leven geroepen, waarin aanwijzingen, berichten, en waarschuwingen voor de   bevolking gegeven worden.

'Duizenden van deze bulletins worden verspreid. Zelfs tot in Bunschoten toe. Toch moet ons werk in deze tijd, nu ons land frontgebied is geworden, wel ver­anderen. Er is nu immers werk in 't zicht, waarmee we daadwerkelijk gewapen­der hand de nederlaag van onze doodsvijand kunnen verhaasten.

            Zo gebeurt het ook.., we vormen twee strijders groepen. Een voor ver­dediging van het spoorwegemplacement en stootgroep, die bij de nadering van de geallieerde legers, aanvallend zal optreden.

Uit de stootgroep vormen we een sabotageploeg, die later aangesloten wordt bij de L.K.P. We zijn nu soldaten, partisanen, jongens van Jan de With, de handen uit de mouwen....

            De frontlijn loopt niet langs de belgische nederlandse grens, neen, de frontlijn loopt dwars door ons gehele vaderland.

 

            Uit Amsterdam komen Dick en Ted naar Amersfoort. Als werkers van de in­lichtingendienst zijn ze door de z.g. Driehoek naar Kees gestuurd. Spion­age...'t is voor ons nieuw, maar daarom juist zo aantrekkelijk. Hoemeer je de mof afbreuk kunt doen, hoe liever. Om alle verkeerswegen, die van/en naar Amersfoort gaan in 't vizier te houden, zijn er uitkijkposten nodig.

            Alle verkeer moet vakkundig genoteerd worden. Kees geeft Rien op­dracht dit met Dick en Ted voor elkaar te maken. Een groep jongens uit de stad verleent de gevraagde medewerking.

            Een gezellige zolderkamer, waar de gastvrouw 't ons aan niets laat ont­breken geeft dag en nacht uitzicht op de belangrijke verkeersweg, die naar het oosten leidt. Zo vormen we ook een uitkijkpost langs de spoorlijn en de ver­keersweg naar Amsterdan.

            Dit werk resteert weldra onder de centrale inlichtingendienst. Alle in­lichtingen worden dagelijks naar een centraal punt in de stad doorgezonden. Ongeveer 10 jongens van onze strijdgroep houden dit zware taaie werk de hele winter lang, in kou en in gevaren ononderbroken vol, onder leiding van Niek. Want zo comfortabel als het aan de Hogeweg is, hebben zij het helaas niet.

            De beste gelegenheid is een boerenschuur, waar ze uitzicht hebben op weg en spoorlijn naar Amsterdam. En het uitzicht is niet aller best. Als het vriest, belemmeren de bevroren ramen alle uitzicht.
Dan maar blazen jongens, probeer de ruiten maar te ontdooien met je
adem, die ook zowat bevroren is. Dat is spionage door dik en dun.....    

 

            En wat er in de fabrieken schuilt? Ze weten het precies. Dat de fabriek van Kadé een "Waffenmeisterei" is waar zo en zoveel wapens aanwezig zijn, dat de amaf-hal een marine-afdeling voor het vervaardigen van duikbootmate­riaal is. Waar zich zo en zoveel van de fijnste instrumenten bevinden, ze vinden het haarfijn. Ook dat het 'Arsenal B. Betrieb' in de Nijverheidsstraat, brand­weermateriaal in zijn kelder bewaart, als pikhouwelen, gasmaskers, enz. is door hun inlichtingen bij de C.I.D. bekend.

            Ook door hun nauwkeurige gegevens van de Duitse lijnwachten en pos­ten op boerderijen zijn ze van nut. De K.P. krijgt hiervoor de nuttige wenken, voor het opblazen van de spoorlijn en het daarbij mijden van lijnwachten op tij­delijke bezette boerderijen. Want ons werk is"safety first'.

Zover is echter ons werk nog niet uitgegroeid, in de septembermaand 1944. We wachten nog op de dingen, die komen zullen.

16 September breken de geallieerde legers weer los. De geschiedenis herhaalt zich voor ons, nu met ongekende vreugde. Verduisterden in 10 mei Duitse vliegtuigen de zon, die ons land bescheen, nu zijn het de geallieerde vliegtui­gen,  't Is revanche eerste klas.

            Duizenden parachutisten springen naar de Hollandse bodem, terwijl het mac­tige tweede leger van Dempsy in een snelle run doorstootte naar onze grote rivieren. Met een spontane daad, zij het ook op bevel van de regering, onder­steunen de mannen van de Nederlandse Spoorwegen de bevrijdingsaktie.

            Met diepe vreugde beleven wij dit alles. Deze vreugde in onze verzets­groep uit zich niet alleen in genoeglijke praatjes, dat 't nu zo goed gaat". We zoeken bezigheid.  "Toe Kees, kunnen we niet iets doen?"

We kunnen het niet aanhoren, dat er bij Nijmegen op leven en dood gevochten wordt voor de bevrijding van ons land, terwijl wij, ons rustig moeten houden.

 

            Onze onrust wordt heel juist getypeerd in de woorden van Ans, die in verpleegsterscostuum ons werk weer komt steunen. "Kees ik ga op de fiets naar Arnhem, dacht je, dat ik hier rustig kan blijven zitten, terwijl onze bondgenoten doodbloeden. Ik ga ze helpen. Ik ben niet voor niets verpleegster geweest",  't Is ons uit het hart gegrepen. Maar Kees wijst op de andere plichten: "voor alles moeten we ons rustig houden, heeft Prins Bernhard gezegd. Daarom, discipline tonen. Daarom behoeven we niet stil te zitten. Neen, voor stilzitten is er werke­lijk geen tijd. Allereerst moeten sommige spoorwegmannen nog een duwtje hebben. En we moeten bij alle achting voor de staking der spoorwegmensen, ook eerlijk zijn.  't Gros van deze mensen, hebben heel kies gezegd:  "een harde duw nodig". Daarom: Oranje Bulletin verspreiden, stakingschuwe mannetjes maar bang maken voor de wraak der 'ondergrondse', die vast niet stil zal zitten. En daarbij, duikadressen zoeken. Moed inspreken.

            Kees, die sinds de arrestatie van Luit, met 'ziekenverlof' is, vindt het eerst nodig zich te gaan melden bij de N.S., dat zijn 'ziekteverlof' over is, en dat hij van nu af,  'staker' is. Hij ziet tevens kans personeellijsten in veiligheid te stellen. Dat moet maar niet in moffenhanden komen.

 

            In het huis van Gert-Jan wordt er verder voor de stakers gewerkt. Wim, die als gemeentelijk ambtenaar steeds doeltreffend gesteund heeft, maakt sta­pels blanco P.B.'s in orde. Elke spoorwegman, die uit principe staakt, en zich niet veilig voelt met zijn naam en beroep, kan een ander P.B. krijgen.

            Terecht zitten de stakers ook met het probleem van: wie zal me te eten geven, hoe kom ik aan geld...? Hoe gelukkig voelen wij ons, dat we in de ge­lukkige omstandigheden verkeren, zelf een distributieapparaat in het klein tot onze beschikking te hebben, om daarmee steun te verlenen aan onze stakers.

Voor de staking hadden we immers al belangrijke groepen, de zgn.  "nationale gevallen", financieel en in natura geholpen? Wel nu, daar gaan we mee door, zolang de voorraad strekt. Bij bakkers en kruideniers bijvoorbeeld hebben we talrijke bonnen uitstaan, waarmee dadelijk geholpen worden kan. Verder is er nog dertig mud capucijners te verdelen. . .

 

            Vooruit maar, eerst die spoorwegmensen, die Joden of die onderduikers herbergen. Met karretjes wordt af en aan gereden. Gert-Jan en Frank, die de ca­pucijners afwegen, sturen de L.O.-medewerkers naar de uitgezochte adressen. Een volgende keer de andere mensen, die nog niet gehad hebben...

            De uitbetaling van de lonen, wat thans het N.S.F.-werk wordt, geschiedt met onze medewerking. Aan de hand van personeelslijsten en gegevens over spoorwegmensen, die we zelf inzamelen, kan het N.S.F. Uitbetalen.

 

            Intussen is de toestand er niet op vooruit gegaan. De mannen van Arn­hem, die de zwaarste gevechten op hun naam hebben, moeten zich ten zuiden van de Rijn terugtrekken. Deze gedeeltelijke mislukking van de luchtlandingen betekent voor Nederland boven de rivieren een hongerwinter.

Voor de illegale mensen in het bijzonder betekent het: verdubbeling van geva­ren.

            En het is een winter geworden van honger, terreur, onderdrukking en angst. In deze winter heeft Nederland tol betaald aan het monster van de oor­log...

 

 

            Na de staking laat het zich al gauw aanzien, dat de moffen voor geen enkele terreurdaad zullen terugdeinzen. Begin oktober beginnen ze met razzia's in onze grote steden die hun weerga in de bezetting nog niet hebben gehad. Bij duizenden en tienduizenden worden de Nederlandse mannen weggevoerd. Het lijkt wel, of de fut eruit is. Zonder ernstige pogingen tot weigering melden ze zich om stellingen te gaan graven, al gaat dit gepaard met de allerergste bedrei­gingen.

            In Amersfoort moeten we ons 7 oktober om negen uur aan de infante­riekazerne melden. Vroeg in de ochtend is dit reeds afgekondigd. Bij honder­den zien we ze gaan. En tot degenen die zich verschuilen, behoren wij ook.

            Piet en Rien zitten met nog enige mannen op zolder achter wat afge­schutte planken. De moffen komen stommelend boven, zoeken wat en druipen weer af. Kees zit met Gert-Jan, Frank en Jaap in de kelder van de kerk. Ook daar vinden de moffen niets. Wubbo (Wim Sikkema), Gerrit en Ab hebben nog geen schuilplaats, als de moffen aan de winkeldeur rammelen, waarachter zij zich nog onverscholen bevinden. En wonderlijk, als de deur niet opengedaan wordt, lopen ze maar door.

            Maar van ons allen is de razzia voor Kees het ergste. Hij heeft zijn ge­zin reeds lang naar Spakenburg gestuurd,  't Is in zijn huis te gevaarlijk gewor­den. Nu met de razzia heeft hij het ook maar verlaten. Ger, die in haar ver­pleegsterskostuum veel waardevolle diensten heeft bewezen, kijkt de kat uit de boom en houdt Kees tijdens de razzia volledig op de hoogte. Als ze nieuws komt brengen, is het slecht nieuws.

            De Duitsers, die bij de huiszoekingen naar mannen speciaal de opdracht hebben het huis van Kees een extra beurt te geven, zijn het afgesloten huis bin­nengedrongen. En hoewel goed verstopt, hebben ze al gauw een pak Oranje Bulletins gevonden.

            Even later ligt zijn huis in puin. Handgranaten hebben het grondig ver­woest. De straat wordt nog afgezet en huis voor huis wordt nagezocht. Kees is echter onvindbaar. Het is te begrijpen dat een en ander Kees, Jaap en Ger nood­zaakt, zich voorlopig schuil te houden.

 

            Voor Ans is de toestand beter. Zo wordt, nu Luit weggevoerd is, niet meer gezocht. De SD kan ze immers toch niet meer tegen elkaar uitspelen? En ze heeft ernaar gehunkerd, weer in Amersfoort terug te komen en mee te kun­nen helpen. Haar kinderen zijn veilig ondergebracht bij familie. En nu Kees en Ger voorzichtig moeten zijn, komt ze als geroepen. Daar ze bekend is en ver­trouwd bij alle contacten, vormt ze weldra een onmisbare schakel in de illegale keten.

            Het kostershuis is als vanouds weer middelpunt. Het is zelfs nog meer dan dat. Elke K.P.-er en L.O.-medewerker beschouwt het als zijn toevluchts­oord. Bij tante Ans is het zo gezellig. En er is bijna altijd wat te eten. Het ge­beurt dan ook vaak, dat Ans niet minder dan zes a zeven van die pottenkijkers aan tafel heeft. Maar ze wordt bij al die drukte bijgestaan door een drietal meis­jes, die tevens koerierdiensten verrichten.

            Ja, dat huis van Ans met zijn vele zaaltjes van het evangelisatiegebouw en van de kerk biedt tal van mogelijkheden. Op de grote zolder waar in een ge­heide schuilplaats zich vele voedselvoorraden bevinden, is het een gezochte plaats om wapens schoon te maken. Het is een gezellig gezicht om de K.P.-ers rondom in de wapenonderdelen te zien poetsen en prutsen. En komt er onge­wenst bezoek, dan ben je in drie tellen met de hele rommel in de schuilplaats. En voor onderricht in schiethoudingen met sten-gun of geweer kun je alweer geen betere plaats hebben. In alle houdingen wordt er geschoten en zo nu en dan wordt er eens een robbertje gevochten.

            Jammer is het, dat je hier niet echt kunt schieten; dat is voor een com­plete training als K.P.-er en B.S.-er beslist een gebrek. Om hierin nog te voor­zien, hebben we al vaak naar een oplossing gezocht.

 

            En die komt er ook. Ab heeft Rien in vertrouwen genomen: "Onder de plankenvloer van het evangelisatiegebouw is ruimte. Wat denk je ervan?" Door het luikje in de vloer verdwijnt Ab onder de grond met een revolver. Rien luis­tert naar het geluid. Met Jaap en Gerrit, die ook geraadpleegd worden en buiten gaan luisteren als Ab afschiet, zijn we het erover eens dat hier een schietbaan moet komen.

Laatste aanpassing op 24 sept 2014

 

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar

 

 Enschede in 40-45

beheer