Onze strijd in de bezettingstijd van Amersfoort en omstreken Deel 1

 

            10 mei 1940. Een stralende morgen, maar geen blijde dag. Onder ge­knetter, gedreun van luchtafweer en geraas van vliegtuigmotoren wordt Neder­land wakker, ...OORLOG...

 

            De zon verduisterd door duizenden vliegtuigen, ons land vertreden door honderdduizenden moffenlaarzen. Als een sprinkhanenplaag, zo komen ze. Dan bommen, gevechten, evacuatie, ...capitulatie...

            Ja, eer de doorsnee Nederlander beseft wàt oorlog is, is dit al voorbij. Blitzkrieg...

 

            De strijd is voorbij, of begint ze pas? ...Dit realiseer ik mij, als ik bij de bekendmaking der overgave tussen enige Hollandse soldaten in sta. We hebben juist het Wilhelmus gezongen en kunnen niet geloven, dat alles zo gauw over is.

Maar naast mij snikt een jongen het uit op de schouder van zijn strijdmakker...   't Is een Joods militair... Dan besef ik het diep... de strijd begint pas.

 

 

            Nee, de strijd is al begonnen. Principieel staan we immers al jaren te­genover hun heidense begrippen van ras, bloed en bodem; de verheerlijking van de machtmens; het leidersbeginsel; de ondergang van het individu in de brute massa, die alle waarborgen van persoonlijke vrijheden van de hand wijst? Kwamen wij daartegen niet in het geweer? Bestond er in beginsel niet reeds een strijd tussen een land waar onderdrukking, terreur en concentratiekampen heersen en ons land, dat in de historie het wereld-asiel der vrijheid genoemd werd?

 

            Hoeveel te meer wordt dit alles levendig,, als wij door deze vijand, die onze vijand reeds is, bezet worden. In hun vaan staat geschreven: REVOLU­TIE. Daartegenover stellen wij: HET EVANGELIE.

In hun vaandel staat nog meer: haat, terreur en onderdrukking.

Wij dragen in 't harte: "Den vaderland getrouwe, blijf ik tot in den dood"...

 

 

            In het Soesterkwartier (Amersfoort) werkt de A.R.-propaganda-club. Ze werkt met energie, bezield door de heilige beginselen van Gods Woord.

            Na de capitulatie is die energie meer dan ooit nodig. Want juist nu, nu de nazi-propaganda ons volk tracht te infecteren, is er meer dan ooit verlichting nodig.

            En de stuurman, die ons schip van staat jarenlang stuurde, gééft ons die voorlichting; dr. H. Colijn zendt zijn twaalf apostelen rond.

            Eén van deze apostelen komt in Amersfoort spreken. Zo wordt de vijan­delijke propaganda afbreuk gedaan. Dat is de strijd, die wij niet kunnen vermij­den. En alles gaat goed. Totdat...

            Want dan komt, wat wij allen verwachtten: alle vergaderingen worden verboden. De N.S.B. is de enige politieke partij.

            Dóórvergaderen, is echter de leus. Doorvergaderen? Dat is jezelf moed­willig in gevaar begeven, dat mag niet...!

            Financiën afstaan en alle actie stopzetten, doen...!

Is dat het resultaat van zoveel jaren A.R.-propaganda? Is dat de houding van calvinisten? Toon je daarmee, dat je beginselen storm-getij kunnen trotseren?

            Daarom, ondanks het verbod, gaan we in Gods kracht verder. En het is nodig. Want overstroomd worden we met vragen, die om principiële belichting vragen.

 

            De Arbeidsdienst roept onze jongens op. Wij voelen het wel, gáán mo­gen ze niet. Daar zullen ze vergiftigd worden met nationaal-socialistische theo­rieën van ras, bloed en bodem. Ze zullen daar een heidense, anti-christelijke geest inademen, die wel funest móét werken.

            Zíj willen de opvoeding van ònze jeugd. De jongens beginnen met de schop en zullen klaar gemaakt worden met het geweer.

 

            Zo komt ook de "Winterhulp" en wat moeten we met de "Unie"? Er over spreken! We laten sprekers komen. Mannen als Den Ouden (Oegstgeest), Hagoort (Utrecht) en Koning (Zeist)  spreken op onze geheime vergaderingen en geven ons een meer omlijnd inzicht in urgente kwesties van onze tijd.

            Ook de twaalf apostelen ontbreken niet bij deze voorlichting. In samen­werking met enige calvinisten uit de stad, zoals dr. Joh. Schreurer, Joh. de Gans, A. Los, mr. De Graaf en mr. Westera, worden deze avonden tot bolwerk van het geestelijk verzet.

            Ds. Slomp, de oprichter van de L.O., verschijnt ook op één van deze voorlichtingsavonden. Hij wekt ons op tot een principiële houding tegenover de Arbeidsdienst.

 

 

            Zo begint ons verzet. Deze tijd is ons tot zegen geworden. Want deze tijd van geestelijke fundering geeft ons de kracht om voort te gaan. Zonder deze tijd hadden we in de toekomst niet met zo'n overtuiging gestreden.

            Nu weten we het: niemand naar Duitsland, geen jongen in de Arbeids­dienst, geen steun aan verraders: VERZET...

            Dit is de tijd van geestelijk verzet. En deze tijd, waarin we de beginse­len gegrond op Gods Woord bestuderen, móét leiden tot daadwerkelijk chris­tendom. Ons negatief verzet wordt positief.

 

 

            Dit positieve, praktische werk begint al in 1941. Illegale lectuur voor de voorlichting van ons volk moet verspreid worden. Legt de Mof hier de hand op, dan worden wij slachtoffers van het verzet. Maar deze lectuur, die we uit Utrecht en Amsterdam krijgen, wòrdt verspreid...

 

            Door de gemeenschappelijke vergadering ontstaat er een nauwe samen­werking tussen twee jonge calvinisten uit de stad, nl. Jaap (mr. De Graaf)  en Peter (mr. J.G.P. Westera) en ook tussen onze leiders uit het Soesterkwartier: Luit (v.d. Wey - koster der Gereformeerde Kerk), Kees (de Jong) en Gert-Jan  (v.d. Brink).

 

            In 1942 begint onze vijand met terreur. Als gijzelaars worden honder­den vooraanstaande mannen gegrepen. Staan we machteloos om deze mensen te helpen? We weten het. Uit de klauwen van de onderdrukker kunnen we ze niet bevrijden. Wel kunnen we ze voedsel sturen.

            We hebben onze propagandaclub. Pakjes inzamelen. En de gijzelaars weten zich weldra verzorgd van voedsel. Dit moet hun geestelijk ook moed ge­ven, te weten, dat er mensen zijn die met hen meeleven...

 

 

            Nu zeiden we wel: principieel staan we tegenover de Arbeidsdienst en de tewerkstelling in Duitsland, maar kijk, daar komen de eerste principiële on­derduikers. Klaas R. (een jongen die later voor verzetswerk gefusilleerd is) moet geholpen worden. Een onderdak zoeken. 't Is onze eerste onderduiker, die we helpen. Maar weldra volgen er meer.

            De eersten brengen we bij onszelf onder dak. Maar zo kun je niet blij­ven doen... Het is erg moeilijk, 't geeft wel veel teleurstelling. Vooral van Joden moet men niets hebben. Wie geeft je de verzekering, dat ze blijven betalen. Wie betaalt de risico's. Is immers niet te betalen, nee hoor, mij te gevaarlijk. Zo wordt er gesproken.

            Als er geholpen wordt, zijn we met de opgejaagden dankbaar. En de mensen die helpen, doen het als eis van het christelijk gebod.

            Zo gaan we moeilijk voorwaarts, terwijl de horizon steeds dreigender wordt. Onze officieren worden weggevoerd. De eerste verzetsmensen vallen voor het vuurpeloton.

            De broer van Kees wordt als werker voor Vrij Nederland in Amsterdam opgepakt. Dit is echter slechts een begin van wat komen gaat...

 

 

April 1943. Een schok gaat door heel het land. Krijgsgevangenen moeten zich melden. Allen terug in krijgsgevangenschap. Studenten, die de legaliteitsver­klaring niet getekend hebben, dienen zich ook te melden. En om de maat over te doen lopen: totale arbeidsinzet.

            Is dit de vervulling van de belofte, waarmee de heer Seyss-Inquart de rechten en vrijheden van ons volk gewaarborgd heeft? Geloofd hebben wij hem nooit. Een Judas, die zijn eigen volk verraadt en die een dergelijke belofte uit­spreekt op een plaats waar vroeger onze vorstin haar troonrede hield, hebben wij nooit kunnen geloven. Maar wat nu?

 

            Als een laaiende vlam breekt het protest en het verzet in ons volk los. STAKINGEN. We zijn blij - blij in zo'n donker Nederland?

            Nee, niet blij met de gruwelijke verordeningen, maar dankbaar blij en ontroerd dat ons volk wakker is, lééft, en dat het zich verzet tegen de aanslag op zijn nationaal voortbestaan. Dit verzet is kostbaar. De staking wordt in bloed gesmoord. 't Offer der gefusilleerden is echter niet tevergeefs geweest. Met hun moedige daad, ja, door hun leven te geven, hebben zij ertoe bijgedragen, dat de verzetsgeest groeit met de dag.

 

 

            In een kamer, die uitziet op de ingang van het aanmeldingskamp, zit Luit. Zijn gezicht staat somber. Hij heeft eerst gehoopt, dat niemand zich zou melden. Maar zijn potlood en papier hebben hem wijzer gemaakt.

            Volgens zijn lijst, waarop hij alle melders aantekent, hebben de Duitsers gelijk. De Hollanders zijn "meldelustig". Is het offer van de gefusilleerde sta­kers dan toch voor niets geweest? Ach, hij weet wel beter. Maar het melden is een aanfluiting voor ons leger. Juist, terwijl ze weten, dat het hele volk achter hen staat, waarom anders die staking. De stakers gaven hun léven. Zíj zijn bang voor moeilijkheden.

            's Avonds laat Luit zijn lijsten zien. Hoewel zich duizenden gemeld heb­ben, is het zo langzamerhand duidelijk, dat er ook weer duizenden weigeren.

            Bij de arbeidsinzet is het al evenzo. Waren er in het begin enkele onder­duikers, nu zijn ze niet meer te tellen...wat nu? Met die enkele onderduikers en Joden hebben we al zoveel moeite. Moeten we ons nu nog meer op de hals ha­len? En waar komen al die bonkaarten vandaan? En het geld? Waar is nog on­derdak?

            Maar wie A gezegd heeft, moet ook B zeggen. En daarbij: God heeft ons werk rijk gezegend, waarom nu niet verder op Hem vertrouwen?

 

            Geld verzamelen doen we volgens een vast systeem. Eens in de maand klopt onze ophaal-commissie bij vertrouwde mensen aan.

            In Drente, de bakermat van het verzet, krijgen we een contact. Kees heeft een oom, P. Bos uit Zuidwolde, die ons in aanraking brengt met de ver­zetsgroep Hoogeveen.. De voordelen hiervan blijken weldra. Onderduikers kunnen we uitwisselen en Hoogeveen voorziet ons van bonkaarten.

            Zo verkrijgen we ook contact met Enschede en Amsterdam. Zo groeit ons werk, we kunnen nu niet alleen onderduikers voorzien van geld, onderdak en pakketten, die ze evenals de gijzelaars ontvangen, nee, ook bonkaarten wor­den hen verstrekt.

            In deze tijd maken we ook contact met gevangenen uit het concentratie­kamp. Elke dag zien we ze gaan, mager, op klompen, en in schamele kleren marcheren ze onder geleide van verschillende Duitse Spitsboeven naar de fa­brieken.

 

            Weldra is het voor elkaar: honderden broden worden voor hen versne­den. Dikke plakken worst sieren de gul met boter besmeerde boterhammen. En juichend komt Luit thuis: "Kees, had je ze moeten zien smullen. Worst, dikke worst .... is het niet koninklijk?"

 

            Ook de gevangenen, die getransporteerd worden naar Amsterdam om verhoord te worden, krijgen hun deel. Deze gevangenen krijgen, om ze murw te maken voor het verhoor, helemaal geen eten. Het zijn meest groepjes van twee tot tien man, onder geleide van een Hollandse agent. In de nabijheid van het station staan echter trouwe verzorgsters. Komt er zo'n groepje van gevange­nen aan, dan reiken ze met milde hand uit. Met hongerige blikken nemen zij het vlug uit de hand van de meisjes. Heerlijk, brood.... dik belegd. En sigaret­ten... De agent laat het oogluikend toe. Zo gaan er soms vijftig à zestig pakken per dag weg.

            Maar rechtstreeks contact met het concentratiekamp hebben we niet. Het kamp is hemetisch gesloten en de nood is groot. Alle pogingen om hier iets te bereiken, mislukken.

            Dan komt het Rode Kruis ons te hulp. Nu kan er wat gedaan worden. Erg gelukkig zijn we, dat ons werk zelfs tot hiertoe kan doordringen. We kun­nen nu honderden broden versnijden en met goede belegging en wat sigaretten verdwijnt alles in het kamp.

            Dat kost ons maandelijks 400 à 500 bonkaarten. Veel banden zijn hier­voor nodig. Om deze organisatie zo onopvallend mogelijk te laten verlopen is onze grootste zorg. Verraders loeren immers overal. Maar dankzij de officiële naam van het Rode Kruis blijven wij buiten de grijpende klauwen van de SD. Maar nog meer kunnen wij doen voor de gevangenen, dankzij de heldhaftige, opofferende houding van enkele meisjes. In deze dagen wordt er verontwaar­digd verteld: "Weet je wie er ook met de moffen meegaat? Wel, die dochter van H., je weet wel. Dat had ik nooit van haar gedacht."

            En het veelbesproken meisje heeft het moeilijk. Ze wordt gezien met een Duitse militair. Het is een Oostenrijker, die aan het kamp verbonden is. Ze krijgt briefjes van gevangenen uit het kamp. Die Oostenrijker is de schakel. En, buiten enkele ingewijden, weet niemand van haar offer.

            Maar hier en daar in het land maakt zij vele ouders en andere familiele­den gelukkig met een stapel briefjes van hun zoon of man uit het kamp.

 

            Met het transport van gevangenen van het kamp naar de trein is het al­tijd een spannende reis voor de begeleiders. Vooral als je Hollands agent bent, en je hebt de verantwoordelijkheid voor honderden gevangenen, is zelfs één ki­lometer te ver. Je moet tientallen Amersfoortse jongens en meisjes in de gaten houden, die zogenaamd helpen met koffers sjouwen, maar die in werkelijkheid hoeden en petten uitdelen voor ontvluchting. En daarbij, je wilt toch ook "goed" zijn, nietwaar?

            Bij de controle aan de trein is het bijna altijd mis. Er zijn altijd te wei­nig gevangenen. De ontbrekende gevangenen zijn met pet

of hoed al ondergebracht in een Amersfoorts huisgezin.

 

            Al gauw worden nu deze transporten begeleid door de Grüne Polizei.

            Op een zekere dag ontmoeten Jaap en Gerrit (twee van onze K.P. -ers) een echtpaar uit Groningen. Hun zoon wordt vandaag getransporteerd naar Duitsland. Een gesprek met Jaap en Gerrit volgt. Meneer Sikkema, zo is zijn naam, laat de foto zien van Wim, zijn gevangen zoon. De jongens prenten het gezicht in hun geheugen en beloven een poging te doen tot bevrijding. In hun zakken dragen ze pakjes brood en sigaretten en .... petten.

            Weldra is de droeve stoet gearriveerd. Op het perron zijn honderden ou­ders voor een laatste afscheidsgroet. Maar het gedeelte van het perron waar de trein staat, is afgezet. Moffen schreeuwen hun commando's. Als de gevangenen in de trein zijn, weet Jaap met zijn N.S.-legitimatiebewijs het afgezette perron over te steken. Hij deelt hier en daar brood uit, heeft weldra Wim van de foto ontdekt.

            De controle is iets minder scherp. Meerdere mensen reiken de gevange­nen pakjes aan. Snel duwt Jaap een pet in Wims hand. Ook enige pakjes. Wim is nu ook uitdeler geworden. Gerrit neemt hem verder mee, door de Grüne Po­lizei heen naar het andere perron. Daar neemt Jaap hem mee over het spoor-emplacement en hij is spoedig daarna veilig onder dak.

 

Deze Wim Sikkema is een van onze beste medewerkers geworden.. Nooit is hem iets te veel. Bij de gevaarlijkste karweitjes is hij steeds van de partij. Lang heeft hij helaas niet bij ons mogen zijn. Het verblijf in een verdacht huis wordt hem noodlottig. De SD doet een inval en Wim wordt met enige ontvluchte Rot­terdammers meegenomen. De tweede maal heeft hij niet uit het Kamp Amers­foort kunnen vluchten. In Duitsland is hij in het concentratiekamp gestorven. Ook hij heeft zijn leven gegeven in dienst van zijn vaderland, zoals zovelen. Nooit zullen wij deze trouwe vriend vergeten.

 

 

            In 1943 worden we in L.O.-verband opgenomen. We zijn na enkele overwegingen tot de slotsom gekomen, dat dit het beste is. Hoe groter de orga­nisatie, des te meer contacten, maar ook: meer gevaar ....

            Mogen we dit gevaar wel riskeren, de dreiging van arrestatie en execu­tie wordt immers steeds groter? En de SD is drukker dan ooit. Maar we beslui­ten biddend, ziende op het gebod, blind voor de toekomst.

 

            We kunnen meer bereiken en doeltreffender hulp verlenen. Er dient ech­ter bij gezegd te worden, dat we tot nog toe ons zonder de L.0. vrij goed kun­nen redden. Ons werk is tot grote hoogte opgevoerd. Bonkaarten, Ausweisen, P.B.'s en dergelijke hebben we tot onze beschikking. Maar als ons werk nog nuttiger kan worden in L.O.-verband, dan doen ....

 

            Peter heeft contact met de L.O. Onder leiding van Carrie Stomp wordt er in Zeist vergaderd.

 

            Reeds in het najaar van 1942 heeft Peter contact met de L.O., al is er dan nog niet de officiële naam aan verbonden. Piet Verburg uit Wageningen be­zoekt Peter en Jaap om over dit contact te spreken. Piet is gestuurd door domi­nee Kreytenburg van Eemnes. Zijn bedoeling is om het contact van Amersfoort via Jaap en Peter te laten lopen. Ook met dominee Slomp, die onder de naam Van Zanten bij hen komt, wordt hierover gesproken. Oom Frits heeft echter het provinciaal contact gelegd in Zeist over Carrie Stomp. Deze ontmoeting met "oom Frits" vindt nog voor die met Piet Verburg plaats. Hij maakt hier nog een vergadering met Hagoort mee.

            Met oom Frits wordt nog meer besproken, o.a. het protest van enkele jongeren aan de classis Utrecht over de slappe houding der kerk inzake de ar­beidsinzet.

 

            Met het contact komt echter alles in orde. Piet legt het contact weer tus­sen Peter en Carrie en na bespreking tussen hen op het kantoor aan de Stations­weg wordt Peter districtsleider L.0. Amersfoort. Zo krijgt Amersfoort haar cen­trale voor onderduikers.

 

            De eerste beurs, waarbij onderduikers uitgewisseld worden, nummertjes voor bonkaarten "verhandeld" worden, Ausweisen, P.B.'s en dergelijke doorge­geven worden, wordt door Peter bezocht. Later bezoeken om de beurt Luit, Jaap, Peter en Kees de beurs.

            Een topvergadering der L.0., waar oom Frits voorzitter van is, wordt op het kantoor gehouden met ongeveer 25 man. Het is een prachtvergadering. Naast het bespreken van de problemen, die legio zijn, wordt er ook paling ge­geten. Heerlijke paling, meegenomen uit Kampen waarschijnlijk door Joh. Post, versterkt de inwendige mens. Al gauw liggen de vellen en graten door het advocaten-kantoor verspreid. De volgende morgen worden de resten zelfs on­der matten en boeken teruggevonden. Terecht protesteert Mej. K., de verhuur­ster van het kantoor van Jaap en Peter, tegen het bezoek van zulk raar volk en dan nog wel in zulke getalen .... Peter behoeft haar echter slechts iets mee te delen en haar bezwaren zijn weg.

 

            De tweede topvergadering vindt plaats in het schuurtje bij Peter thuis. Om zo voorzichtig mogelijk te werk te gaan, komen de leden op drie verschil­lende manieren binnen: door het huis; rechts opzij en links opzij achter drie aangrenzende huizen langs. Dit is nodig, want onder de bezoekers bevinden zich zeven jongens die zwaar geschaduwd worden. Ook oom Frits en dominee Lummel uit Sprang zijn op deze vergadering aanwezig.

            In de schuur is het om te watertanden. Niet om wat er de visite gepre­senteerd wordt -al is dat in orde- maar om wat er te zien is aan bonkaarten. Sta­pels "gekraakte" bonkaarten versieren het tafelvlak. Het zijn de eerste "ge­kraakte" die ter tafel komen ....

 

            Het contact met de L.0. is dus wel zeer stevig. En onder leiding van Pe­ter, Jaap, Luit, Kees en Gert-Jan breidt het werk zich nog meer uit. Wel een te­ken, dat Gods zegen op onze arbeid rust. Vooral de bijeenkomsten zijn een bron van kracht en troost. God is in ons midden.

            De provinciale bijeenkomsten, waar Kees en Luit soms heen gaan, dus waar de "beurs" gehouden wordt, krijgen steeds meer te doen. 't Is een comple­te Arbeidsbeurs geworden, waar alle beroepen en ambten vertegenwoordigd zijn. En het is bijna benauwend zoals het aantal onderduikers toeneemt. Een onderdak alleen is niet meer voldoende. We moeten werk voor de jongens zoe­ken. Stilzitten is voor hun funest.

 

            Met medewerking van onze ambtenaar van het Gewestelijk Arbeidsbu­reau, Harm, kunnen we de onderduikers plaatsen bij de Nederlandse Spoorwe­gen. Harm vult de blanco papieren van het Arbeidsbureau in, een stempel erop, een handtekening eronder en de onderduiker wordt bij de N.S. geplaatst. De Spoorwegen zijn ons nog verder van nut. Stapels legitimatiebewijzen hebben zij voorhanden. Een van de onzen, die bij de N.S. werkt, heeft ze vaak zien lig­gen. Hij kent het versje: "... aan een boom zo volgeladen..." - en het is immers voor een goed doel? Met droogstempel voor de foto komt het ook voor elkaar. Een naam erop en er is weer een onderduiker, die veilig loopt. En werkelijk, dit legitimatiebewijs is in deze dagen een beveiliging.

 

            Zo kunnen wij met Gods hulp veel doen voor onze onderduikers. Maan­delijks reiken we nu ongeveer 1100 bonkaarten uit, waarbij de verzorging van de gevangenen niet wordt meegerekend. De contrabonnetjes van de inlegvellen voor de bonkaarten worden op de distributiekantoren van Amersfoort, Soest en Bunschoten ingewisseld. De rest van de bonkaarten die we nodig hebben, wordt gevormd door "gekraakte" kaarten.

 

            Intussen hebben we nog de verspreiding van illegale lectuur, zoals Trouw, "Goeden morgen, hier is Londen", Je Maintiendrai, Vrij Nederland, De Nieuwe Wijnzak, enzovoort. En de transporten van de Joden èn de moeilijkhe­den met niet te vertrouwen personen.

            Van de laatsten is groot gevaar te duchten. Peter en Jaap hebben nogal eens last van zulk opdringerig bezoek op hun kantoor. En de Jodentransporten zijn ook niet zonder gevaar. Voorbeelden van zulke gevaren zijn er voldoende.

 

            Vanuit Utrecht rijdt een auto richting Bilthoven. Stoppen .... Landwacht .... Daar staan ze: Jan Hagel en Co, en ze houden zomaar een auto aan. De auto staat stil. "Ziekenvervoer", klinkt het uit de auto. De Landwach­ters kijken naar binnen. Achterin een zieke, zijn hoofd dik in het verband. Er­naast een donker uitziende dame. Voorin een chauffeur en een jongeman. Even z'n persoonsbewijs vragen; onderwijzer, 27 jaar, wel, geen reden om hem mee te nemen. In de wagen zijn onverschillige gezichten. Maar de lucht in de auto is drukkend van spanning, of zou het van de warme zomeravond zijn?

 

            "Doorrijden", klinkt het gewichtig. En de spanning, die geen drie minu­ten geduurd heeft, is gebroken. De zieke is een Jood, de donker uitziende dame is zijn vrouw, een Jodin, de Landwachters zijn ezels ....

            Zo zijn de transporten van Joden, gevaarlijk. En nergens is voor deze opgejaagden rust. Zij zijn te zeer getekend. Maar ook hier geldt Christus' ge­bod: "Voor zoveel gij dit één van deze Mijne minste broeders hebt gedaan, zo hebt ge dat Mij gedaan." Jammer dat dit woord van Christus in deze dagen zo weinig mensen bereikt. Als ze maar geld zien, veel geld, dan willen ze Joden nemen.

            In Den Dolder zijn er ook Joden ondergebracht. Men fluistert: "Razzia's op komst, in Zeist zijn ze al bezig". En de gastvrouw neemt een kloek besluit: Joden eruit .... gevaar, huiszoeking. En daar staan de vertrapten, het is acht uur - 's avonds om tien uur binnen zijn.

            En in Amersfoort, dat tien kilometer verder ligt, is slechts veiligheid en verzorging. Ze zijn er gekomen, met ontmoetingen van Landwacht en een reis per tram met niets dan Wehrmacht.

            Maar zulke "medewerking" heb je in onze dagen te verwachten van mensen die zich "christenen" noemen en die op "verraderlijke" Joden afgeven. Hoe gunstig steken daar de ware christenen bij af, die steeds helpen en daarbij hun vertrouwen alleen op God stellen.

 

            Juist veel eenvoudige mensen tonen bij het herbergen van Joden veel geloofsvertrouwen en gastvrijheid. Hoewel klein behuisd, hebben zij altijd nog wel een kamertje over, waar een schuilplaats is voor één of twee uit het leger der gezochten.

            Rien komt nogal eens met onderduikers aan. Een contact van deze Joodse onderduikers, een zekere Bob uit Amsterdam, heeft er veel te verwer­ken. Bob behoort zelf ook tot het Joodse ras, maar hij ziet er totaal niet naar uit. Hij heeft het klaargespeeld, met behulp van vrienden, onder een andere naam zijn zaak voort te zetten.

            Nu hij zichzelf daardoor gedekt heeft, is hij echter zijn rasgenoten niet vergeten. Nacht en dag is hij bezig hen te helpen. Adressen moet hij hebben, waar hij hen mee kan helpen, bonkaarten, P.B.'s zijn nodig. Rien helpt hem zo­veel in zijn vermogen ligt. In de fabriek van Bob zijn tal van gelegenheden waar ze ook een schuilplaats kunnen vinden.

            De eerste keer dat Rien hier komt, staat hij versteld van de vernuftige schuilplaatsen die er te vinden zijn. In een afdeling van het kantoor staat een boekenkast, die een gedeelte van de wand bedekt. Een geheimzinnige greep en de boekenkast draait langzaam naar voren. Door een opening die nu ontstaat, kom je in een kamertje. Het is geen grote ruimte, maar groot genoeg om drie à vier personen ruimte te verschaffen.

            Als je naar binnen stapt, word je steeds weer getroffen door de uitdruk­king van vrees, die spreekt uit de ogen van de geheime kamerbewoners. Ze le­ven in gespannen verwachting. Wat komt die onbekende persoon Bob dóen? ...

moeten ze weg? ... Is er een adres voor hen gevonden? Dit kamertje, waar ze

het zo goed hebben, is immers maar een tijdelijk adres. Wat zal de toekomst brengen? Dat lees je uit hun ogen. En ze willen toch zo graag hier blijven, bij Bob. Ze zien op tegen het gevaarlijke transport, hier uit het hartje van Amster­dam. Maar ze wachten gelaten af, hoe er over hen beslist wordt.

 

            't Is zo moeilijk deze mensen moed in te spreken. Ze voelen zich op zo'n ogenblik overgeleverd aan de wil van anderen. Natuurlijk, ze zijn dankbaar, en ze geloven wel dat ze het goed zullen krijgen, maar...

Wie zou dat "maar" nu niet begrijpen?

 

            Een andere schuilplaats is te bereiken door een klerenkast. Als je de kle­ren opzij duwt, is er in de uiterst rechtse hoek een zijwand, die ook weer op een geheimzinnige manier meegeeft. Hierachter is een veel grotere ruimte dan zich achter de boekenkast bevindt. Deze ruimte bestaat uit een kamer en een keu­ken, waar Bobs ouders verblijf houden.

            Veel Joden plaatst Bob ook in Amsterdam zelf. De bonkaarten hiervoor nodig krijgt hij van ons. Omgekeerd helpt hij ons aan adressen voor gewone onderduikers. Veel hebben wij er naar hem toe kunnen zenden. Vanuit het kan­toor van Jaap en Peter hebben we soms wel acht onderduikers per dag naar Bob gestuurd, en het was altijd goed.

 

            Zo langzamerhand wordt echter het kantoor van Jaap en Peter een cen­traal punt voor onderduikers uit het hele land. Vanuit het noorden en het zuiden komen ze, en steeds kunnen wij hen nog plaatsen. Maar loopt het zo niet spaak?

            Maar als het nu maar alleen bij deze onderduikers bleef, maar juist die vele illegale draden die hier samenkomen, maken het werk steeds riskanter. Het is maar goed, dat al dit bezoek ontvangen wordt op een advocatenkantoor, waar zoiets niet al te opvallend is. Toch voel je, dat al die contacten, al die onderdui­kers de kans op onmiddellijk gevaar steeds groter maken. Maar hoe ontkom je daaraan?

 

            Zo gaan de dagen in spanning voorbij. En werkelijk, de spanning stijgt met de dag. Je kunt alles niet meer overzien. Je weet, dat achter elke illegale daad de gevaren loeren.

            Bij Peter verschijnt op zekere zaterdagmorgen "Mees" uit Rotterdam, met vier andere L.0.-medewerkers, o.a. mr. Meyer uit Alphen aan de Rijn. Ze brengen mee: f 160.000,--. Het gaat om het loskopen van gevangenen. De le­ning moet met illegale naam ondertekend worden. Vóór Peter en Jaap dit uit kunnen werken komt hetgeen waar we allemaal bang voor zijn: ARRESTATIE ... En dan nog wel van onze districtsleider Peter.

 

 

 

Het verloop van deze arrestatie en ontsnapping heeft Luit als volgt beschreven:

 

Luit vertelt:

Dinsdag 25 oktober 1943

 

            Bij de aanvang van de dag hangt er een grauwe mist over de stad. Ter­wijl de beter gesitueerden zich langzaam uit hun pyama's laten glijden en het lauwe water in de badkuip over hun weke lichaam spoelt, is het werkend deel der mensheid reeds aan de arbeid. De dag hangt als een vraagteken tussen de bomen. Rondom torens en monumentale gebouwen hangt een sfeer van ge­spannen verwachting.

            Wie zal zeggen, wat de morgennevel in zijn grauwe sluier verborgen heeft?

            Hans en Gepke hebben die nacht heerlijk geslapen. Hun wekker liep kwart voor zeven af en naar gewoonte zitten ze in bed een uurtje te studeren. Hans strijkt af en toe door zijn Germaanse kuif en leest over Duits strafrecht en Gepke, fris als altijd, worstelt om de gedachten van dominee Spier tot de hare te maken.

            Dan eten ze hun pap met een sneetje regeringsbrood en is het kantoor­tijd. Gepke bemoeit zich met huishoudelijke aangelegenheden, Hans en Jaap spoeden zich naar no. 6 om volk en vaderland voor te lichten met juridische ad­viezen.

            Kees is die morgen in bed gebleven. De laatste dagen had hij last van pijn in de rug en tussen de schouderbladen en tengevolge daarvan had de dok­ter rust voorgeschreven. Dus bleef Kees' arbeid bij de Nederlandse Spoorwe­gen (zij het ook tegen zijn zin) rusten.

            Luit en Ans hadden die nacht bezoek gehad van de politie om eventuele onderduikers het huis uit te sleuren, wat evenwel niet doorging. Ans had haar werk en Luit was de stad ingegaan, om de stoffelijke en geestelijke belangen van zijn klanten te behartigen.

 

            Het zal ongeveer tien uur geweest zijn, toen de bel van het kantoor no. 6 voor de zoveelste maal overging. Het liep de hele morgen al af en aan. De bei­de heren, die naar mr. W. vragen, worden door de typiste in de wachtkamer ge­laten en wachten hun beurt rustig af. Toen de weg vrij was, werden ze binnen­gelaten en even later ziet Jaap, die in de voorste kamer zijn bureau heeft, de he­ren vergezeld van H. de deur uitgaan in de richting van het bureau. Hij vangt een glimp van hun vertrekkende gestalten op en buigt zich weer over zijn pa­pieren. Een kwartier later komt Gepke aanhollen, bonkt de deur binnen en gooit als een bom de uitroep in de kamer: "Hans is gearresteerd. Ze hebben huiszoeking gedaan".

            Jaaps diepblozende kleur wordt een tint of drie lichter. Hij rolt met ner­veuze vingers een sigaret en zegt: "Nou is 't mis". Alles, wat maar enigszins te­gen hun getuigen kan, wordt in de grootste haast bijeengegraaid en enkele mi­nuten later bestijgt J. hijgend de luitenantstrap en stalt het ganse museum uit op het echtelijk bed.

            Als de zaak in veiligheid is, gaat Ans naar Gepke om te zien of zij iets doen kan en waarschuwt meteen een paar klanten, dat Luit niet naar Hans mag gaan.

            Jaap gaat op verkenning uit en treft Luit, M.v.G. (Rien) en nog een an­der. Met zijn vieren houden zij, zeer "anti-illegaal" krijgsraad, midden op de Snouckaertlaan. Luit en Ans zoeken met Gepke verder in huis naar verboden dingen. Jaap en Jol eten die middag bij de koster en bespreken het probleem van die dag.

 

            Hans zit op het politiebureau opgesloten en hoe krijgen we hem eruit. De zaak is uitzichtloos, maar er wordt besloten dat Luit die middag zijn licht op zal gaan steken bij een goede rechercheur. Jaap moet pleiten in Utrecht en verdwijnt om twee uur in de richting van het station, even later gevolgd door Jol.

            Luit moet van de zenuwen naar een plaats waar je in de regel alleen heengaat, en toen hij daar vandaan kwam, komt Gepke de trap op en zegt gea­giteerd: "Hans wordt om half drie naar Amsterdam gebracht". Luit zegt direct dat hij meegaat naar het station.

Toen de klok van de rooms-katholieke kerk kwart over twee wees, raceden Ge­pke en Luit langs de Soesterweg in de richting van het station. Luit schoot af en toe vooruit op zijn oude transportfiets. De massieve banden huppelden over de straatstenen en het losse zadeldekje schoof als een cake-walk onder hem. Ge­pkes fiets was van betere kwaliteit en zij kon het transport dan ook meestal goed bijhouden.

            De overweg was niet gesloten. In een run er overheen, rechtsaf het smalle pad op. Voor de fabriek van Phoenix liepen twee heren. Gepke sloeg er geen acht op en schoot Luit voorbij. Die echter herkende in de twee personen Hans en een rechercheur. Hij gaf een schreeuw en tegelijk riep Hans "Geppie".

 

            Een moment later liep Luit naast de rechercheur en Gepke bij Hans. De man, die Hans naar Amsterdam moest brengen, betoonde zich inschikkelijk, en liet Hans en Gepke een paar passen achter hem lopen. Luits hersenen werkten als molenwieken. Hij praatte aan één stuk door maar had geen andere gedachte dan dat H. en G. samen moesten praten. De rechercheur keek af en toe achter­om, de afstand werd vier à vijf meter en toen gebeurde het feit van de dag.

            Hans, die erg nerveus was, durfde de sprong naar de vrijheid niet te wa­gen, maar op herhaald aandringen van Gepke nam hij haar fiets en stormde het onbekende tegemoet.

            Luit wist niet wat er achter hem gebeurde, doch praatte maar. Ineens, nadat de politieman weer achterom gekeken had, grijpt deze de transportfiets uit Luits handen, springt erop en zegt: "Nu is hij er vandoor gegaan, dat is flauw". Het zadeldekje gleed op de weg, Luit pakt het op en kijkt verbaasd de wegfietsende rechercheur na.

 

            Van Hans was al geen schim meer te zien. Zo staan ze daar samen een moment als kometen uit de hemel op het pad geslingerd, Luit met het zadeldek­je in zijn hand, en Gepke met het koffertje van Hans in haar bezit. Gepke heeft in hevige spanning haar hand op de arm van Luit ge­legd en zegt telkens weer:  "Zou hij het halen? Zou die 't halen, Luit? Zou hij hem krijgen?" Luit werkt zijn zadeldekje onder zijn regenjas. Gepke geeft hem een arm en samen lopen ze naar het Soesterkwartier. Luit komt tot de ontdek­king, dat hij nog een bonkaart op zak heeft; over de schutting van de N.S. geeft hij haar over aan het noodlot. Dat ze maar op de goede plaats terecht mag ko­men.

 

            Urenlang lijkt de wandeling naar de Dollardstraat. De straten waar ze zo pas in een wedstrijdtempo doorheen zijn geijld, worden nu in een slakkengang afgelegd. En toch slaat de klok pas half drie, als zij, gearmd en wel, de beschut­tende bomen van het plantsoen om zich hebben.

            Bij Henk is een dominee op visite, die van schrik na het eerste kopje thee rechtsomkeert maakt.

            Kees ligt als een vorst in bed als Luit en Gepke tegen drie uur bij zijn bed neerzijgen. Geertje slaat de schrik in de benen, want aan Luits gezicht is best te zien, dat er iets niet in de haak is. Haar vrees is, dat Luit een Jodin bij hun komt brengen. Wat voor moeilijkheden zullen er nu weer zijn?

 

            Na de uiteenzetting aan het patriarchale bed komen er al enkele rustige woorden over de lippen van de zieke.

Luit zit in angst, dat de rechercheur Hans op zijn fiets heeft kunnen achterha­len. Als dat het geval is, vergeeft hij dat zichzelf nooit. Gepke zegt, dat het niet anders kon. "Stel je voor, dat jij er tussenuit was gegaan, dan had hij mij mee­genomen".

't Lijkt, dat Kees even ligt te denken. De rimpels in zijn voorhoofd worden die­per, dan zegt hij resoluut: "Als jullie nu even de kamer in gaan, dan ga ik me aankleden. Geertje, geef m'n kleren eens".

 

            Rikkert wordt op een fiets uit gestuurd, die zijn vader absoluut in het belang van het vaderland moet hebben. Even later rijdt Kees mèt   hoed en boord op een geleend vervoermiddel in de richting van de stad.

            Gepke en Luit blijven in de grootste spanning achter. Hoe zal de wed­strijd afgelopen zijn? Zou voor Hans opnieuw de gevangenisdeur opengaan? Dan is het voor hen nog veel moeilijker. En wat zal de rechercheur doen, als zijn gevangene hem ontsnapt is? Zal hij dan naar Vught gezonden worden, of zou hij onderduiken?

Als ze Hans maar niet krijgen. Dat is de hoofdzaak; moed en vertrouwen.

            In die cirkel worden de gesprekken gevoerd. Er wordt een kopje thee gedronken en Geertje vraagt aan Luit of hij niet wat op het orgel wil spelen. Maar daar is de stemming niet gunstig voor. Zo verglijden de minuten. Tiental­len male wordt op de klok gekeken, 't Is vier uur, half vijf, vijf uur, en nog geen nieuws. De krant wordt gebracht. Die meldt, dat de toestand ernstig is, maar niet kritiek. Zo mag het aan het Oostfront zijn, maar in de Leliestraat 28 is de spanning voelbaar en wel kritiek.

            Geertje heeft haar jongste spruit in Gepkes armen gelegd, maar het arme wicht heeft wel eens een vrolijker speelkameraad gehad. Gepke heeft zich doen kennen als een dappere vrouw, maar na deze uren van werkeloos afwach­ten wordt het haar een moment te machtig. Boven het spartelende Ceesje drup­pelt een traan. Luit geeft haar zijn niet erg schone zakdoek en legt een moment zijn hand op haar donkere lokken. In moeilijke uren wordt saamhorigheid ge­boren.

 

Om half zes komt Ans met een stralend gezicht de kamer in en juicht de bood­schap' de bedroefden tegen:  "Ze hebben Hans niet. De rechercheur loopt op het station met de hoop, dat Hans zich nog zal melden".

De reactie op dit bericht is ingrijpender dan dat mijn het kan schrijven. Luit neemt Ans op zijn armen en draagt haar de kamer rond. Gepke geeft Ans spon­taan een zoen. Alle gezichten leven na deze injectie op als een laaiende vlam.

Ze hebben hem niet...

            Dat is nu het thema. Een uur later komt Kees thuis en die geeft details. Twee rechercheurs moesten Hans naar Amsterdam brengen. Het doel was de Euterpestraat, de gevangenis van de Sicherheitspolizei. Daar ze erg laat waren, is een van de rechercheurs vooruit gelopen om de kaarten bij het station af te laten stempelen. Zo was het gebeurd, dat Hans met één politieagent naar het station liep. Juist op dat moment had het drama zich afgespeeld. Maar wel was het de bedoeling Hans opnieuw te grijpen. Heel het apparaat, waarover de poli­tie beschikte, werd in werking gesteld. De collegialiteit gebood om de ontsnap­te te vinden, om daardoor de collega vrij te houden.

 

            De vrienden in de Leliestraat konden zich daar het hoofd niet over bre­ken. Hans is vrij, dat is de hoofdzaak en we zullen hopen, dat ze hem nooit weer krijgen. Laat die rechercheur dan onderduiken.

            Als Jaap zich bij de club voegt, heeft die reeds in Utrecht het grote nieuws gehoord. Hij is nog even weifelend over de houding van Hans, als die zijn erewoord gegeven zou hebben, maar de anderen willen daar niet over pra­ten. Hans heeft gehandeld, zoals een goed Nederlander moest handelen. En daarom is het goed.

 

            's Avonds weerklinken de liederen Sions in het kleine huisje van Kees en Geertje. De eerste ronde is gewonnen, met moed de toekomst in.

            Diezelfde avond is er een vergadering van de M.V. in de consistorie van de Gereformeerde Kerk in het Soesterkwartier. Dominee Holwerda treedt op als kampvechter voor het promotierecht aan de Kamper Hogeschool,  't Loopt druk. Ans en Riek moeten koffie schenken en er wordt koek gepresenteerd. Hans en Kees, Jaap en Luit, die anders zeker aanwezig waren geweest, zijn door "dienst" verhinderd.

            Terwijl ds. Holwerda zijn stellingen ontwikkelt, wordt er op de ramen gebonsd. Eerst bescheiden, maar later harder. Een late bezoeker zegt, dat er drie heren bij de kerk zijn afgestapt. En nu vragen twee heren door geklop op de ruiten toegang.

Riek doet de deur open en wordt meteen beschenen door het licht van een zak­lantaarn. Ans komt ook eens kijken en die wordt eveneens belicht.  "Nee, u is het ook niet", zegt een van de heren. Ans en Riek, door de gebeurtenissen van die middag gealarmeerd, houden zich gereserveerd. In het portaal van de kerk wordt het gesprek verder gevoerd. De beide heren bieden zich aan als de be­vrijders van Hans.

            "Hans is vrij, en ze krijgen hem niet anders dan over ons lijk", is het thema. Ze moeten mevrouw Westera hebben, want er is nog iets zeer belang­rijks in huis, heeft Hans hun gezegd. Als bewijs laten ze de sleutelbos en enige foto's zien, die ze van Hans hebben ontvangen. Gepke is echter niet meer bij de koster, maar in de Leliestraat .

            Ans heeft vertrouwen in de heren en gaat met hen naar Kees en Geertje. Om ongeveer half elf zitten daar bijeen: Kees, Jaap, Gepke en Luit. De stem­ming is vrij goed, want het is nu vrijwel zeker, dat Hans' vlucht gelukt is. Als Ans echter met de twee onbekenden binnenkomt, rijst een nieuw probleem. Ze stappen direct op Gepke toe en zeggen: "Ja, dit is de goeie. U moeten we heb­ben. Hans is in veiligheid. Hier is zijn sleutelbos en de foto's. Dan hebben wij u twee heel belangrijke dingen te vertellen, waaruit u kunt merken, dat we met Hans gesproken hebben. U heeft een bureau gekocht voor 275 gulden, en daar 50 gulden op vooruitbetaald. Als het bureau komt, gaat het orgel naar uw broer Jaap. In de tweede plaats zijn er 134 foto's van de trouwerij gemaakt en de laat­ste foto laat u aan uw man over".

 

            Met deze boodschap dachten de heren vrij intree te hebben, maar de voelhorens van de aanwezigen gingen terug en het vertrouwen sloot zich dich­ter als een ijzeren pot. Wat wilden die kerels? Zouden dit helpers van de majoor zijn? Om nu op deze manier aan de weet trachten te komen, waar Hans zit? Of zou Hans in verkeerde handen gekomen zijn en trachten nu meerdere adressen te vinden, die straks voor arrestatie in aanmerking kwamen?

            Het geval werd er niet beter op, toen ze vroegen om een volmacht voor 1200 gulden, die nog ergens op een bank stond, en om zijn koffertje met onder­goed en scheergerei. Over en weer werd getest om zekerheid, maar men kwam geen stap verder. Tegen elven zakte Ans met haar twee helpers af. Onderweg zeiden de heren tegen elkaar: "Ze vertrouwen ons niet. Dat is jammer. Dan zul­len we mevrouw Westera nog maar eens bij Hans moeten brengen".

 

            In gespannen verwachting werd de nacht ingegaan. Gert-Jan, Gerry en Geertje kwamen ook thuis uit de M.V. Er werd besloten dat Jaap en Gepke naar de Hyacinthstraat zouden verhuizen. Voor Ans en Luit was het niet raadzaam, die nacht thuis te slapen, zodat ook die op pad gingen naar hun logies.

            Niemand van de club heeft die nacht veel geslapen. Ieder was bezig met een oplossing maar steeds klopte er iets niet met de combinaties. Wat wilden die twee kerels?

 

Gé Ottens:

                Ongeveer begin 1944 kreeg ik samen met agent Van de Spoel van Majoor Versteeg, de toenmalige commissaris van politie te Amersfoort, opdracht een arrestant over te brengen naar Amsterdam, naar de S.D. aldaar. Ik moest zorgen om uiterlijk 14 uur aan het bureau te zijn. Het was 13 uur en daar wij nog niet gegeten hadden mochten wij eerst naar huis gaan om te eten.

 

                Van een der aanwezige Inspecteurs vernam ik dat de arrestant Mr. Westra was. De trein zou om 14.30 vertrekken. Ik wist dat Mr. Westra in verbinding stond met de illegaliteit in het Soester-kwartier o.a. met Van der Weij en Kees de Jong. Ik weet niet precies met wie van hen ik mij in verbinding gesteld heb. In elk geval stond Van der Weij ter hoogte van de Brou­werij op het Smallepad. Ik had Westra niet geboeid en ook niets met hem afgesproken omdat ik niet goed wist wat ik aan hem had.

Bij de Brouwerij gekomen zag hij zijn vrouw staan met de fiets aan haar hand. Hij vroeg of hij even afscheid mocht nemen van zijn vrouw. Ik stemde hierin toe en liep zelf door naar Van der Weij. Toen ik even daarna omzag zag ik hem met een vaart wegfietsen op zijn vrouws fiets. Ik greep de fiets van Van der Weij een oude transportfiets en ging Westra achterna.

Maar ik kon hem natuurlijk niet inhalen en raakte hem al gauw kwijt, wat ook de bedoeling was. Ik heb mij eerst bij de majoor gemeld, die hevig boos was. Daarna heb ik mij in verbin­ding gesteld met Kees de Jong en Van der Weij. Ze waren blij dat het zo gegaan was en vonden dat hij weg moest blijven, daar ze bang waren als hij in Amsterdam terecht gekomen was, het voor hem er niet best uitgezien had.

 

                Ik kon mij op overmacht beroepen, daar hij een goede fiets had en. ik een oude trans­portfiets en hem dus niet kon inhalen.

Ik beriep mij later erop dat Westra niet klaar stond en hij onderweg zijn kleren nog vast moest maken enz. Ik werd later tot 5 weken gevangenisstraf veroordeeld en toen ik ervoor in beroep ging bij Gerechtshof te Arnhem (Rauter) werd mij gezegd dat ik verstandig deed mijn beroep in te trekken, daar er al rekening met de omstandigheden was gehouden en als hij eisen moest, eiste hij 5 maanden. Ik zag dus van mijn beroep af.

 

                Een en ander is ook grondig doorgesproken met Kees de Jong. Nog een ander feit. Op zekere dag ik meende mei 1943 kan ook wel iets eerder zijn. Ik zat op wacht aan het bureau van politie Hollestraat, toen een landwachter binnen kwam en vertelde dat hij een jongen had gearresteerd op de Varkensmarkt, een onderduiker. Die jongen had gevraagd of hij even een re­cept bij de apotheek mocht afgeven. Het was een recept voor zijn zieke moeder. Ik had zijn persoonsbewijs al ingenomen. De jongen gaat met de fiets aan de hand naar de apotheek, maar plotseling springt hij op de fiets en rijdt pijlsnel de Westersingel af, richting Soesterkwartier. Het had geen zin hem te achtervolgen, daarvoor was hij al te ver weg. Maar hij had zijn per­soonsbewijs en verzocht mij de zaak verder af te wikkelen. Ik nam het persoonsbewijs van de landwachter over en zag tot mijn verbazing dat het een persoonsbewijs was het welk ik zelf had afgegeven.

Ik ben daarop naar Kees de Jong gegaan en heb hem een en ander verteld, waarna hij zei: "ik ken dat jong wel, ze wagen het altijd maar weer op, ik zal het hem wel teruggeven. Ik sprak Kees later en toen vertelde hij dat hij bedoelde knaap zijn persoonsbewijs had teruggegeven, die snapte er niets van hoe ik aan zijn persoonsbewijs kwam dat de Landwacht hem afgenomen had, hij keek mij vol ontzag aan. Ik heb hem ook maar niet wijzer gemaakt.

 

                Ook zo zijn er nog wel meer feiten te noemen. Wij hadden als illegalen en als broeders veel en goed kontakt met elkaar. We hadden elkaar nodig om staande te blijven.

Ook later toen de voedselvoorziening soms spaak liep, bracht Kees vaak uitkomst met paling, vlees uit Spakenburg en bonkaarten uit Drente (verzetsgroepen) voor Engelse piloten en vele onderduikers.

 

                Ik was wijkcommandant in het Vermeerkwartier van de B.S. en hij, Kees, was com­mandant in het Soesterkwartier van de B.S. zo hadden wij vele dezelfde kontakten, vrienden en kennissen. Ook kerkelijk waren we één en zagen ons werk gezegend en voorspoedig.

Vooral Kees is ook mij vaak tot hulp en steun geweest in een voor ons, als illegalen gevaarlijke en moeilijke tijd.

 

 

In welke betrekking stonden ze tot Hans? Waren het geslepen Gestapo-agenten, die de vrienden van Hans er ook in wilden draaien? De nacht bracht geen rust en geen zekerheid. Met dikke ogen en veel zorg werd woensdag de 27e oktober begroet.

 

            Kees haalt Luit van zijn slaapadres en samen gaan ze naar de Lelie­straat. Kees zal de stad weer in gaan, naar zijn contacten, om te informeren naar de beide verdachte personen. Jaap gaat ook de stad in en treft zijn broer Koos. Terwijl ze het probleem van alle kanten bekijken, komen ze de heer Slijt tegen. En die maakt de verwarring nog groter, die vertelt met een overwin­naarsgezicht dat de hele zaak door zijn toedoen zo is verlopen. Hij heeft borg gestaan voor een bedrag van 1400 gulden - daarmee is de politieagent omge­kocht. Het was nu zo verlopen, maar anders was er een overval in de trein ge­daan op de begeleidende rechercheur.

            Slijt vond, dat Jaaps vader die 1400 gulden nu maar moest betalen. La­ter in een persoonlijk gesprek aan huis werd een en ander bevestigd. Jaap was niet van zins daar zomaar op in te gaan en Kees reageerde ook zuiver. Slijt wil­de echter geen bijzonderheden meedelen en hield zich erg op de vlakte. De krijgsraad ten huize van Kees gaf de volgende stand te zien:

 

            Dinsdagmiddag, half drie; Hans ontvlucht op de fiets van Gepke. 's Avonds komen twee onbekende personen vertellen dat Hans in veiligheid is en vragen 1200 gulden.

Woensdagmorgen vertelt meneer Slijt "Ik heb alles geregeld en ik krijg 1400 gulden van jullie".

Kees komt met bijzonderheden van twee helpers bij de N.S.B.-majoor van poli­tie. Dit zijn uiterst onbetrouwbare heren. Deinzen voor niets terug en gaan dik­wijls geraffineerd te werk. Men wordt ernstig gewaarschuwd voor contact met onbekenden.

 

            Daar zaten ze nu, Kees, Jaap en Luit. En niemand die in staat was dit raadsel te ontwarren. Zou Slijt misschien ook slachtoffer geworden zijn van de Gestapo-heren? Zouden ze bij hem een dergelijk plannetje geopperd hebben om hem een val te zetten? Of zou Slijt een oplichter zijn? Maar nee, daar wil­den ze ook niet aan. Hij was wel bang, maar niet slecht.

            Met heen en weer jakkeren in de vicieuze cirkel gaat de middag voorbij. Luits gezicht wordt al smaller. Hij eet en slaapt niet van betekenis.

            Als het donker wordt gaat het ongedierte op roof uit en zo gaat Luit, ge­dekt door de nevel, die woensdagavond naar huis. Het is vrij donker en nie­mand weet, wat er thuis gebeurd kan zijn. De voordeur is op slot. De deur bij de consistoriekamer is open. Rondom de kerk knerpt het grind onder de voeten van een eenzame, die voor de verlichte ramen flauw zichtbaar is. Luit er op af, met de tenen krom in zijn schoenen.

"Wie is u?"

"Dat mag ik ù wel vragen. Ik ben de koster. Oh, is het u, Van de Weij. Ik ben Roos. Ik wacht op dominee H."

"Ach zo. .."

            Als Luit in het berghok verschijnt komen Ans en Riek met verschrikt gezicht uit de kerk. Ze zouden net het laatste verboden apparaat in veiligheid brengen en nu hoorden ze gestommel. Riek zag bleek en Ans rood, maar ze keerden spoedig tot het normale terug, toen ze zagen wie het was.

            Er wordt boven nog even gepraat. Luit bindt Ans op het hart, als die twee heren terugkomen, ze niet te woord te staan. Letterlijk zei hij: "Je dondert er maar op. Je zegt, dat we er niets mee te maken willen hebben. Dat we er in gelopen zijn".

Terwijl hij nog praat, wordt er gebeld. Riek hangt uit het raam.

"Wie is daar?"

"Is dominee Holwerda nog hier?", klinkt een stem uit het donker.

"Nee meneer".

"Is meneer Van de Weij of mevrouw ook thuis?"

"Nee meneer, wie kan ik zeggen dat er geweest is?"

"O,  ...dan kom ik nog wel eens terug".

            Wie zou dat nu weer geweest zijn? En wat moest hij? Dat verhaaltje over dominee Holwerda was natuurlijk onzin.

Luit, met de hoed scheef en de regenjas alleen met de bovenste knoop vast, staat op de gang als er weer gebeld wordt. Riek gaat naar beneden en Luit gaat richting schuilplaats. Maar het onderzoek schijnt gunstig uitgevallen te zijn, want Riek komt met de boodschap dat Baas er is. Baas doet een paar stappen de trap op en zegt tegen Luit: "Weg, kom mee". Luit geeft Ans een zoen, zegt de rest gedag en verdwijnt.

 

            Buiten staat ook Los nog te knippen met een zaklantaarn. Die schijnt de eigenlijke koerier van deze boodschap te zijn. Met hun drieën lopen ze de Dol­lardstraat uit en dan zegt Los dat het arrestatiebevel voor Jaap, Kees en Luit op het politiebureau ligt. Vannacht zullen ze alle drie gehaald worden. Los voegt er aan toe:  "Zo zie je hoe gelukkig het is, dat jullie mij nog hebben leren kennen". De troost van die wetenschap onderging Luit niet, maar het feit lag nu eenmaal niet anders. Gezamenlijk gaan ze naar Kees om die te waarschuwen.

            Als ze met hun drieën aan het bekende adres aan de Leliestraat zijn ge­komen, staan twee mannen met de fiets aan de hand aan het poortje. Stilzwij­gend worden ze gepasseerd en even verder fluistert Baas: "Zouden we al te laat zijn?". Luit gaat door naar Gert-Jan en Baas zal tot elke prijs proberen, Kees te bereiken. Sluipend en springend door de voortuintjes komt hij bij nummer 28 en dan vertrekken de postende heren juist. Baas verneemt dat er zo pas al be­zoek geweest is en dat Kees achteruit gevlucht is. '

            Twee heren hadden gebeld en toen het deurtje geopend was, hadden ze met een zaklamp geschenen en gezegd: "O ja, wij zijn goed, zien we".

Maar Geertje en Jaap waren niet van zins de heren binnen te laten en duwden met alle macht tegen de deur. Op dit moment komt de vrijer van de dochter des huizes ook aangesneld om met zijn lange lichaam de rijen van de verdedigers te steunen. Hij komt echter spoedig weer in de kamer, bleek als een lammetje. Hij zwaait naar zijn aanstaande schoonvader: "Weg, De Jong, gaat u weg, ach­teruit". Kees schiet zijn jas aan en verdwijnt door de keuken en achterdeur.

Laatste aanpassing op 24 sept 2014

 

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar

 

 Enschede in 40-45

beheer