Hoofdstuk 16

DRIES NIJENHUIS VERZORGDE IN Z'N EENTJE VEERTIG JOODSE GEZINNEN

 

Inleiding

Dries Nijenhuis

Dries Nijenhuis oftewel Dolle Dries

Deze foto is een uitsnede uit zijn pas

Toen ik hem sprak in de periode 56-60 had hij nog geen snorretje.




Toen ik in augustus 1956 kerkte in de Gereformeerde kerk aan de Wilhelminastraat viel mijn oog op een man die met meer dan gewone aandacht zat te luisteren naar de preek. Hij zat iets naar voren gebogen de woorden van de dominee als het ware in te drinken.

Toen ik Minie naar zijn naam vroeg, zei ze: "Dat is Dries Nijenhuis. In de oorlog heette hij "Dolle Dries". Hij heeft in z'n eentje wel veertig Joodse ondergedoken gezinnen geholpen. De KP van Johannes voorzag hem van bonkaarten."

Later ben ik verschillende keren bij hem thuis geweest. Je kon onbedaarlijk lachen om z'n schitterende verhalen. Zijn zoon Geert zat bij mij op de G.O.O. (Gereformeerde Onderwijzers Opleiding) en ook op Jongelingsvereniging.

Over deze Dries Nijenhuis gaat dit hoofdstuk.

Hoe het bij Dries Nijenhuis begon


Eén van de eerste daden van de groep vrienden die zich in juli-augustus 1940 al verenigd hadden om zich te verzetten tegen de Duitse overheersing, was het plaatsen van de Nederlandse vlag met oranje wimpel op de schoorsteen van de fabriek Bato op de hoek van de Perikweg-Javastraat ter gelegenheid van de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus 1940.

Hoe kregen ze dat plaatsen van de Nederlandse vlag op zo'n tientallen meters hoge fabrieksschoorsteen in vredesnaam voor elkaar?

Het plan was in een opwelling van overmoed ontstaan om toch iets te kunnen doen om aandacht te schenken aan Koninginnedag. De uitvoering gaf wel enige problemen. Wie durfde het aan om de vlag op dat hoge gevaarlijke punt te plaatsen?

De groep jonge mannen die elkaar kenden uit de jongelingsvereniging van de Gereformeerde Kerk en propaganda maakten voor de cursussen van de A.R.P., bestond uit Johannes ter Horst, Dries Nijenhuis, Cor Brasz, Frits Buitenbos en Joop Jonge Poerink.

Na enig heen en weer gepraat over wie de vlag dan uiteindelijk zou plaatsen, bood Dries Nijenhuis zich hiervoor aan. Er moest echter op de avond voor Koninginnedag wel gewacht worden tot het donker was, anders zou de onderneming al voortijdig worden ontdekt door de Duitsers, met alle gevolgen van dien. Het werd een hachelijke onderneming. De klim tegen de fabriekspijp was niet zonder gevaren. De klimijzers waren lang niet allemaal stevig verankerd. Maar het lukte.

De vlag wapperde in top. Toen Dries Nijenhuis weer veilig en wel op straat stond, was hij voor geen goud bereid de tocht nog eens te ondernemen. Het verwijderen van de vlag liet hij graag aan "anderen" over.

De groep begon regelmatig met vergaderen om meer acties te ondernemen tegen de Duitsers. In september 1940 werd bijvoorbeeld al een Joods gezin, dat aan de Oldenzaalsestraat woonde, geholpen. De eerste onderduiker die door de groep geholpen werd was Henny Rhood. In Groningen kreeg hij een onderduikadres. (Wiegman in Enschede 1940-45 op pag. 49.)


bato
Op koninginnedag 31 augustus 1940 plantte Dries op zo'n schoorsteen

het rood wit blauw met oranje wimpel.


Gedicht ter ere van koningin Wilhelmina


Eind augustus 1940 circuleerde een verzetsgedicht, gebaseerd op het Wilhelmus. Het heeft dezelfde vorm en volgt verschillende keren letterlijk de oude tekst van ons volkslied.

Het Wilhelmus heeft in de oorlog een belangrijke rol gespeeld. Het werd gespeeld voor radio Oranje in London. Het werd gezongen door verzetsstrijders op weg naar de fusilladeplaats. Soms zongen ze het tijdens het klaar staan voor het schot.

31 augustus 1940 is geschreven door J.J. Vroegop.

Tijdens de bezetting verscheen dit lied onder het pseudoniem Marnix.

Vroegop was lid van een knokploeg in de omgeving van Den Haag.

Het is ook toegeschreven aan Lina Both uit Waalwijk.

Deze variant van het Wilhelmus is een acrostichon of naamdicht. De eerste letters van de strofen vormen de naam WILHELMINA.

31 augustus 1940


Wil'mina van Nassouwe
Ben ik van Dietschen bloed
Het vaderland getrouwe
Blijf ik tot in den dood.
Prinsesse van Oranje
Ben ik, vrij, onverveerd,
't Bewind van 't oud Germanje
Heb ik altijd geëerd.

In vree met elk te leven
Heb ik altijd betracht,
Nochtans ben ik verdreven,
Om land, om luid gebracht,
Maar God zal mij regeeren
Als een goed instrument,
Dat ik zal wederkeeren
In mijnen regiment.

Laat vreemd geweld ons drukken
En neerslaan wat weerstreeft,
Toch kan 't mij niet ontrukken,
Wat diep in 't harte leeft;
Dat is de liefd' en trouwe
Door mijn geslacht verpand,
Wat kwaad de vijand brouwe
Aan 't dierbaar vaderland.

Het stormgetij moog' wassen,
De golven mogen woên,
De vuurmond moge bassen
En alles daav'ren doen;
Toch schrijf ik op mijn vane,
Ontplooit op Britsche ree,
Hoort toe, mijn onderdanen:
't Aloud ‘JE MAINTIENDRAI’.

En waar mij God moog' leiden,
Hoe lang mijn zwerftocht duur,
'k Blijf niettemin verbeiden,
Het blij bevrijdingsuur.
Eens klinkt ‘Oranje boven’
Weer uit der mijnen mond,
Dan zal ons danklied loven,
Hem, die verlossing zond.

Langs onbegrepen wegen,
Voert vaak der volk'ren lot,
Maar 't eind wordt immer zegen,
Waar 't biddend klimt tot God.
Laat dan de Heer maar waken,
't Is de wijsheid, wat Hij doet.
Zoo zal hij alles maken,
Dat g'u verwond'ren moet.

Met al hun dapper vechten,
Met al hun stout lawijt,
Zij zullen ons niet knechten
De machten van deez' tijd;
Tenzij het Woord des Zwijgers,
Moedwillig werd verzaakt:
'k Heb met den Heer der Heeren,
Een vast verbond gemaakt.

Ik wek U op te blijven
Vertrouwen t'allen stond,
Dan zullen wij verdrijven,
Die nu ons hart doorwondt,
God zal 't ons doen gelukken
Op zijn bepaalden tijd,
Zijn hand zal ons ontrukken
Van 's vijands macht en nijd.

Na 't zuur zal ons verblijden
Het zeer begeerde zoet,
Gelouterd door het lijden,
Zien wij het einde goed.
Ik keer dan tot u weder,
Wat lijkt die toekomst schoon,
En 'k leg dan met U neder
Mijn danklied voor Gods troon.

Aan u, mijn onderdanen,
Mijn vorstelijk saluut,
Totdat mijn Leeuw verdrijve
Der Nazi's attribuut.
Straks wijken 's vijands horden,
Straks zwijgt het droef geween,
Als 't weer zal zijn geworden:
ORANJE EN NEERLAND: ÉÉN

J.J. Vroegop

Zorg voor 40 ondergedoken Joodse gezinnen


Dries Nijenhuis had al in 1942 de zorg voor 40 ondergedoken Joodse gezinnen. Ook was hij belast met het onderbrengen van Joodse onderduikers in Twente en de Achterhoek en de zorg voor het leveren van levensmiddelenbonkaarten.

Wanneer Joden op hun onderduikadres kwamen te overlijden, was het Dries Nijenhuis die met de speciale opdracht werd belast het stoffelijk overschot zo geruisloos mogelijk te laten verdwijnen.

Een legale begrafenis was niet mogelijk. Zijn eerste zorg was dan een doodskist te bemachtigen.

Toen Alfred van Dam op 11 december 1942 op zijn onderduikadres aan de Borneostraat overleed, zorgde timmerman Riemersma voor een doodskist.

Hij was zeer verbaasd over de opdracht van Dries Nijenhuis en had zelf ook de nodige problemen om illegaal aan hout te komen.

Maar hij kreeg het voor elkaar. Nijenhuis reed in zijn driewielige auto, een Tempo bestelwagentje, dat hij 'versierde' met tekens van het Rode Kruis of de Brandweer, om ongehinderd zijn werk te kunnen doen.

Met de kist reed hij naar de Borneostraat, waar hij met veel moeite uiteindelijk achterom, om vooral niet op te vallen, het stoffelijk overschot in zijn auto kreeg. Onderweg was de kist in de auto gaan schuiven, waardoor op een gegeven moment op een slecht stuk weg de auto kantelde.

Enige passerende Duitsers hielpen echter keurig het Tempo'tje weer overeind te zetten. Van de inhoud van de laadbak hadden ze gelukkig geen notie. De begrafenis vond plaats achter het huis van Dries Nijenhuis aan de Hoge Bothofstraat 42.

Zo verzorgde Dries Nijenhuis verschillende "begrafenissen". Ook bij hem in de tuin. Deze opdrachten gingen gepaard met groot gevaar voor eigen leven.

Na de oorlog zijn deze doden herbegraven op de Joodse begraafplaats. Op een gegeven moment kwam een uit Hengelo afkomstige onderduiker op zijn onderduikadres in Enschede te overlijden. Hij was echter pas twee dagen op dat adres.

Het woonhuis in Hengelo was nog in bewoonde staat en een sleutel aanwezig. Om de problemen die zich voordeden bij het illegaal begraven te voorkomen, werd de dode gekleed en wel naast Nijenhuis op de voorbank van de auto gezet en naar Hengelo gereden.

Toen de dode in zijn huis werd gevonden, kon een normale begrafenis plaats vinden.

Een van de Joodse onderduikers, Suze de Jong, die later trouwde met een Engelse vliegenier, plantte als dank voor de ondervonden hulp, na de oorlog in Israël twee bomen.

Nog steeds wordt het contact tussen het in Israël wonende echtpaar en de familie Nijenhuis onderhouden. Bij het 45-jarig huwelijk van het echtpaar Nijenhuis, beiden zeer actief in het verzet, waren hun vrienden uit Israël aanwezig.

Van dominee Overduin ontving Nijenhuis in 1958 een verklaring, die hierbij is afgedrukt.

Ondergetekende L. Overduin verklaart het hiernavolgende:

D. Nijenhuis, geb. 3-7-1913, woonachtig H.Bothof 42 te Enschede heeft in de jaren 1942-April 1945 zich als volgt voor het illegale werk ingezet:


1. Het onderbrengen en verzorgen van Joodsche voortvluchtigen.


Afgezien van wat genoemde D. Nijenhuis in dezen zèlf op eigen gelegenheid ter hand genomen heeft, is hij mij tot een belangrijke steun geweest.


Ten einde een indruk te geven van de omvang van het werk voor Joodsche voortvluchtigen vermeld ik hierbij, dat midden 1943 ongeveer twaalfhonderd distributiestamkaarten (levensmiddelenkaarten) van ondergedoken Joodsche voortvluchtigen in mijn bezit waren.


Bij het onderbrengen, verzorgen, verplaatsen en begraven heeft D.Nijenhuis een groot aandeel gehad en was hij met of zonder zijn bestelwagen steeds en op de meest kritieke momenten ter beschikking.


Het rayon, waar D. Nijenhuis zich bewoog, strekte zich uit van Enschede en omliggende plaatsen, de Achterhoek en Nijverdal en omgeving.


2. De massavlucht van de in Duitsland te werkgestelden in 1944/45.


Hier heeft D. Nijenhuis ongelooflijk veel werk verzet. Het moet vermeld worden, dat zijn vrouw die haar man bijgestaan heeft, met name in dit werk wel geheel betrokken is geweest en onbegrijpelijk veel gepresteerd heeft. Deze uit Duitsland gevluchte Nederlanders moesten soms vele dagen en nachten ondergebracht worden om met deugdelijke papieren en marshbefehlen te worden voorzien en te kunnen reizen, gekleed en gevoed worden en soms geheel clandestien vervoerd worden naar hun woonplaatsen in het Westen.


Aldus verklaart, Enschede 15 maart 1958, L. Overduin.


Wiegman p.126v


Dries Nijenhuis

De kopie van een naoorlogse pas.

Dries staat er mooi en duidelijk op.

Hij had een markante kop met pretogen.




Inleiding


Via Geert, zoon van Dries Nijenhuis kreeg ik een krantenartikel geschreven door Joop Hoek. Ik weet niet in welke krant en van welke datum. Het bevat voor een deel informatie die hierboven al staat. Toch is het opnieuw de moeite waard.

(Van Joop Hoek kreeg in juni 2011 het onderstaande mailtje. Ik heb hem bedankt voor zijn artikel.

 

Beste Gert, ik zag op jouw site de door mij geschreven tekst over Dries Nijenhuis. Het artikel is onder meer gepubliceerd in de Twentsche Courant waar ik van 1977 tot 1981 verslaggever was. Het verhaal was er een in een serie die ik maakte over oud-verzetsmensen en met name de heibel die er na de oorlog ontstond tussen de verschillende groeperingen vanwege hun politieke geaardheid en zo. Ik heb toen ook een artikel geschreven over Albert van het Reve, oud-verzetsman en oom van Gerard. Ik hoop dat je wat aan deze informatie hebt. (---)

Fijne dag. Joop Hoek)


Als Geert Mak zich in de serie 'In Europa' afvraagt:"Gebeurde er dan niets tegen de vernietiging van de joden?", denk ik: kijk dan eens naar mensen als Dries Nijenhuis? Wat heeft die veel gedaan.

Er luidt een Joods spreekwoord: wie één Jood heeft gered, heeft de hele wereld gered. Nou dan heeft Dries in z'n eentje het heelal gered, bij wijzen van spreken. Laat zijn optreden een voorbeeld zijn van velen die zich voor het leven van de Joodse landgenoten hebben ingezet en hun leven hebben over gehad.

Hieronder volgt het verslag van Joop Hoek:

Het vertrouwen is nooit beschaamd

Voor Dries Nijenhuis die in de oorlogsjaren zijn verzetswerk deed onder de schuilnaam 'Dolle Dries' begon het verzet op de tiende mei 1940 toen boven Ypenburg, de militaire vliegbasis in de omgeving van Den Haag, Duitse parachutisten uit hun vliegtuigen sprongen.

Eenmaal gedemobiliseerd en teruggekeerd in Enschede was hij een van de oprichters van een verzetsgroep waar ook J.Jonge Poerink, C.Brasz, Johannes ter Horst en F.W.Buitenbos deel van uitmaakten.

Deze eerste verzetsgroep in Enschede werd opgericht in juli/augustus 1940. Vier oprichters hebben de oorlog overleefd. Johannes ter Horst werd in najaar 1944 even buiten Enschede, met Roelof "Max" Blokzijl door de Duitsers doodgeschoten.

Dries Nijenhuis is zes maal ternauwernood uit handen van de Duitsers gebleven. Zijn verzetswerk leidde ertoe dat hij zelf in het najaar van '42 moest onderduiken. Ondergronds zette hij het vele goede werk samen met zijn vrienden en echtgenote voort.

In 1942 had Dries de zorg voor veertig ondergedoken Joodse gezinnen die hij letterlijk in leven moest zien te houden. Hij was belast met het onderbrengen van deze gezinnen in Twente en de Achterhoek en de zorg voor de distributiebescheiden en levensmiddelenbonkaarten.

Door de naamloze groep waarvan Dries Nijenhuis een van de oprichters was, is ook via een radiozendontvanger contact onderhouden met Engeland. Ingekomen berichten werden op papier gezet en vermenigvuldigd en verspreid. Die contacten met Engeland kwamen ook van pas bij de hulp aan geallieerde piloten die via een vluchtlijn weer op weg naar huis konden worden geholpen.

De mannen die deel uitmaakten van deze verzetsgroep kenden elkaar van kindsaf aan. Ze zijn onder andere afkomstig uit ARP-kring (Anti-Revolutionaire Partij) en vertrouwden elkaar voor honderd procent. Het vertrouwen is nooit beschaamd. Hun verzet is voortgekomen uit hun gereformeerde geloofsovertuiging van waaruit ze handelden.

Net als met andere verzetsmensen is het ook met Dries Nijenhuis moeilijk praten over de periode 40-45. Het gesprek stokt diverse malen. Er vallen stiltes als de herinneringen aan die inktzwarte tijd weer bij stukjes en beetjes worden opgehaald. Er zijn dingen gebeurd in de oorlogstijd waar Nijenhuis helemaal niet over wil praten, die ook nu nog, bijna veertig jaren na dato nog steeds pijn doen. Naarmate het gesprek vordert neemt de schroom om vragen te stellen toe en worden de stiltes langer, pijnlijker.

Op tafel liggen de 'geloofsbrieven' van verzetsmensen die persoonlijk getuigen van de moed van 'Dolle Dries'. Ds. Overduin, de Jodenmessias genoemd, wethouder Vunderink, Buitenbos, Minie Mulder-Schreurs… Sommigen nu dood, anderen oud, schreven in die na-oorlogse jaren, toen ons land weer vrij was, over de daden van hun verzetsvrienden.

10 mei 1940


Dries Nijenhuis was als militair gestationeerd in het westen van ons land. Hij doet dienst bij de voormalige kogelgieterij in Delft en wordt na de Duitse inval naar het vliegveld Ypenburg gestuurd om daar de opmars van de Duitsers tegen te houden. Een dode had hij nog nooit gezien.

Toen de gevechtshandelingen achter de rug waren reed Dries op een achterover gedrukte BMW-motor naar Enschede. Hij ging weer aan de slag in zijn chemisch bedrijfje aan de Hoge Bothofstraat. Samen met zijn schoolvrienden werd veel over de oorlog gepraat. Een van hen, Buitenbos, woonde tegenover het politiebureau en zag wat daar omging en wie naar binnen werd gebracht.

Al voor de oorlog kwam de groep bij elkaar. Ze hadden bij elkaar op school gezeten, bezochten samen de catechisatie en hadden toen al één ding gemeen: de haat tegen de landverraders, de NSB'ers, die ze zagen als handlangers van de Duitsers.

De eerste daden van het verzet kwamen al snel in dat eerste oorlogsjaar. Er kwam een verbod om naar de Engelse zender te luisteren. Op een dag was het beeld van Ariëns getooid met een bord waarop de tekst geschreven stond:"Ik alleen luister niet naar de Engelse zender." Op koninginnedag, toen nog 31 augustus, werd de vlag uitgestoken. Het was het begin.

Het verzet groeide. Er werd door Dries illegaal benzine ingekocht. Er kwam vervoer. Later een gepantserde auto waarmee overvallen in het land werden uitgevoerd. Er werd auto- en zendermateriaal gestolen bij onder andere Hollandse Signaal.

Het grote verzet begon bij de grote jodenrazzia's toen duidelijk werd dat de Duitsers het slechtste voor hadden met die landgenoten. Voor Dries Nijenhuis en zijn vrienden betekende dat het laten onderduiken van talloze Joodse gezinnen.

Hoewel het verzet in Enschede goed georganiseerd was, was er weinig contact tussen de verschillende verzetsgroepen. Bekend zijn met elkaars identiteit betekende ook dat bij arrestatie de kans bestond dat de Duitsers daarachter zouden komen.

De verzetsgroep waar Dries Nijenhuis deel van uitmaakte, had geen afgebakend terrein. Overal waar hun hulp in Enschede en daarbuiten gewenst was, kwamen de verzetsmensen in actie. Nijenhuis was ook de man van speciale opdrachten. Joden die op hun schuiladres overleden werden door hem begraven, twee zelfs in zijn achtertuin. Het lichaam van een verrader, door het verzet doodgeschoten, is in een oven van een fabriek verbrand.

Groepscommandant


Direct na de oorlog werd Dries Nijenhuis groepscommandant van het strijdend gedeelte van de Binnenlandse Strijdkrachten in Enschede. NSB'ers werden gearresteerd en in de fabriek van Scholten geïnterneerd. In de fabriek van Menko moesten deze gevangenen concentratiekampslachtoffers ontluizen.

Voor Nijenhuis duurde het een jaar voordat hij weer aan de slag ging in zijn bedrijf Bleko, dat bleekwater verkocht. Vanaf 1942 was het gerund door zijn vrouw en een knecht. Ontregeld door zijn verzetsperiode lukte het Nijenhuis niet het dagelijkse ritme weer snel op te pakken.

Met de ontwikkelingen van na de oorlog, politiek, maatschappelijk en religieus, heeft deze verzetsman nooit veel moeite gehad. Er zijn in de oorlog door hem nooit veel plannen gemaakt voor de na-oorlogse tijd.

Nijenhuis heeft ook niet voor de oorlog moeite gehad met de staatsvorm of wijze van besturen van ons land. Na 1945 had hij maar één eis: geen politiestaat. Door het vertrouwen in de overheid heeft hij nooit de behoefte gevoeld mee te willen beslissen. Of te zeggen: "Door mijn verzetsverleden heb ik recht op medezeggenschap." Het herinvoeren van het democratisch stelsel was voor hem voldoende.

Het is zijn mening dat het verzet er na 1945 goed aan gedaan heeft niet zelf de macht te willen overnemen. Door verzet te plegen in die donkere oorlogsjaren heeft in ieder geval Nijenhuis nooit de bedoeling gehad een vinger in de politieke pap te krijgen.

Het gevoerde beleid door de Stichting 40-45 ten aanzien van de pensioenuitkeringen van oud-verzetsmensen vindt Nijenhuis in sommige gevallen kwetsend. Hij is ervan overtuigd dat sommige uitkeringen te danken zijn aan vriendjespolitiek.

Wat hem ook dwars zit is het feit dat mensen die zijn ondergedoken om aan arbeid in Duitsland te ontkomen, dat nu merken aan hun gekorte pensioenuitkering. Anderen die wel voor de Duitsers werkten, genieten nu een volledig pensioen.

Over het verzet van ARP-mensen, waartoe ook Nijenhuis behoorde, in de oorlogsjaren is niet zo gek veel bekend. Het was te gevaarlijk om zaken op papier te zetten. Dat geldt ook voor de verslagen van de afdeling Enschede van die partij. Het notulenboek eindigt dan ook abrupt met een verslag van een vergadering van 2 december 1940. Secretaris was toen de verzetsman Roelof Blokzijl. In augustus van dat jaar wordt door de antirevolutionairen de oprichting van de Nederlandse Unie afgewezen.

Zo benauwd als de Duitsers waren voor alles wat met politiek van doen had, zo gecharmeerd waren ze van alles wat met geestelijke ontwikkeling van de mens te maken had. Dat was voor een aantal ARP-kopstukken in Enschede de aanleiding om hier een Christelijke Volksuniversiteit op te richten. Onder het mom van onderwijs en onderricht, welke ook werden gegeven, kon zo nu en dan een politiek onderwerp aan de man worden gebracht. De Volksuniversiteit was tegelijk een ontmoetingspunt voor mensen die elkaar steunden.

Gevoelige klap


De ARP-Enschede kreeg in de oorlogjaren een gevoelige klap door het vermoorden van de Duitsers van Johannes ter Horst en Roelof Blokzijl. Ondanks het vallen van deze twee kopstukken, gaat het verzet door en menig Anti-Revolutionair neemt daaraan deel. Zo ook Dries Nijenhuis.

DE OORLOG IN BEELD: HOE ERG HET WAS!
Honger

Hongerwinter 1944-1945


Hongerwinter 1944-1945, maanden van rampzalige koude, van gebrek aan alles, van honger, van ruwe dodende honger in een neergeslagen land.

Beelden van troosteloze hongertochten door een leeggeroofd landschap; van kinderen en oude mensen, die met bovenmenselijke krachtsinspanning ver van de steden het land afschuimden, om eten, eten, eten...

Van morele vernietiging, van kommer over ons land, dat ook toen niet alleen gelaten werd met zijn verdriet, maar achter bomen en bruggen en muren steeds opnieuw Duitse rovers vond en hun Nederlandse handlangers, angst voor de Duitser, wanhoop voor zijn eigen deel. (Jordaan)

Bedenk ook dat de zorg voor de onderduikers in die hongerwinter gewoon doorging. Voor de LO-mensen lag het eten niet voor het opscheppen. Ook niet in Twente. Als je daaraan denkt wordt je bewondering nog groter.

Wilt u naar het volgende hoofdstuk 17: Klik dan op Illegale pers

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar



 Enschede in 40-45

beheer