Hoofdstuk 4

DE HULP AAN ONDERDUIKERS DOOR LO-ENSCHEDE

 

Inleiding


Mensen die door de Duitsers werden gezocht, gingen vaak onderduiken. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er kwam heel wat voor kijken en het was niet zonder risico.

Er moest iemand zijn bij wie je verborgen kon worden gehouden. En als je daar eenmaal zat, moest er voor eten en drinken worden gezorgd. Dat was heel lastig, want door de schaarste was het eten op de bon.

Je kon niet maar even naar de supermarkt stappen en voedsel inslaan. Elke Nederlander had een stamkaart en een persoonsbewijs. Daarmee kon je op het distributiekantoor voedselbonnen krijgen. En als je een brood wilde kopen, moest je naast geld ook een broodbon op de toonbank leggen.

stamkaart

Een stamkaart

Hiermee kon je een bonkaart krijgen.

Die werd uitgereikt op een distributiekantoor,

onder overlegging van je persoonbewijs.

bonkaart

Een bonkaart

Hiermee kon je in de winkel eten kopen.

Niet zoveel je maar wilde.

Nee, een beperkte hoeveelheid.

Er was immers tekort aan eten.

Bonnen zorgden voor een eerlijke verdeling.

Nu had je als onderduiker een probleem: je bestond niet meer voor de wet en voor de mensen. Je kon maar niet even bovengronds gaan. Je had geen stamkaart en dus geen bonnen.

Daarom werd de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers opgericht. Afgekort: LO. En ook plaatselijk ontstonden de LO's. Die moesten weer een beroep doen op knokploegen. Die pleegden overvallen op distributiekantoren, waar in de kluis stapels bonkaarten lagen. De bonkaarten gingen naar de medewerkers van de LO's die ze weer verspreidden onder de onderduikers. Een heel gedoe, maar het werkte wel.

Johannes terug uit zijn onderduik te Amsterdam


Op een gegeven ogenblik zag ook Johannes zich genoodzaakt onder te duiken. Johannes besluit dan naar zijn zwager in Amsterdam te gaan. Deze zwager is Jaap de Jong. Jaap zit in het Amsterdamse verzet en houdt zich met name bezig met de hulp aan onderduikers.

Johannes maakt zich in die tijd nuttig om Jaap bij deze werkzaamheden te helpen. Op deze manier krijgt Johannes ook inzicht in de werkwijze van deze organisatie in Amsterdam.

In het voorjaar van 1942 vindt Johannes ter Horst het in Amsterdam welletjes en veilig genoeg om naar Enschede terug te keren. Voordien zijn inmiddels landelijk door de Duitsers ongeveer 400 Ordedienst-leden gearresteerd.

Na zijn terugkomst begint hij mede met gebruikmaking van de ervaringen, die hij in Amsterdam heeft opgedaan, direct met het opstarten van een zelfstandige onderduikersorganisatie.

De hoofdwerkzaamheden zijn:
Het zoeken van onderduikadressen, het helpen onderduiken en verzorgen van deze onderduikers, bovendien het wegbrengen van piloten naar de Belgische grens.

Hij wordt daarbij waarschijnlijk geholpen door de oude groep. De contacten, die Johannes met name in de omgeving van Hellendoorn heeft, zorgen ervoor dat hij over een groot afzetgebied voor zijn onderduikers kan beschikken.

Ook anderen zijn op dat moment min of meer zelfstandig actief met dezelfde activiteiten. Zo is Hendrik Jannink, een fabrikant, die zijn buitenverblijf in Huize Holterhof heeft en 's winters aan de Bisschopstraat in Enschede woont, met allerlei zaken bezig.

Onder andere verbergt hij in het begin van 1942 een piloot bij hem thuis aan de Bisschopstraat. De Duitsers krijgen hier lucht van en hij wordt daarna gearresteerd.

holter hof

Huize Holterhof anno 2002

Daarbij hoorde de boerderij De Holterhof.

In Twente zeggen ze Hölterhof.

De boerderij werd hoofdkwartier van de KP-Enschede

Optreden Dries Nijenhuis


Dries Nijenhuis, in de oorlog "Dolle Dries" genoemd, is bij de terugkeer van Johannes ter Horst naar Enschede ook nog steeds bezig met het verzorgen en onderbrengen van onderduikers.

Zo verzorgt hij onder andere de onderduikster Suze de Jong. Zij overleeft de oorlog en verhuist later naar Israël. De familie Nijenhuis heeft vele jaren na de oorlog nog contacten met haar onderhouden. In totaal had Dries de zorg voor zo'n 40 joodse onderduikersgezinnen. Zie voor meer over Dolle Dries hoofdstuk 16.

Ontstaan van de LO


De grootste en de meest effectieve hulporganisatie, die bezet Nederland kende was de L.O. (Landelijke Onderduikersorganisatie). De grondlegger ervan was de dominee van het Overijsselse Heemse bij Hardenberg, Frits Slomp, beter bekend onder de schuilnaam 'Frits de Zwerver' en 'ouderling van Zanten'.

Op 13 juli 1942 ternauwernood aan arrestatie ontsnapt, vlucht hij naar de Achterhoek, van waaruit hij, gestimuleerd door de Winterswijkse mevrouw H.Th.Kuipers-Rietberg (Tante Riek), in november besluit om overal in het land tot de vorming van plaatselijke commissies op te roepen, die de vraag naar en het aanbod van onderduikadressen bij elkaar moesten brengen.

Op veel plaatsen wordt aan Slomps oproep gehoor gegeven. Zie hoofdstuk 3.


Oprichting LO-Enschede

 

De eerste vergadering in Enschede


Twee personen, genaamd Veldhuis en De Boer, die landelijk actief betrokken zijn bij de oprichting van de LO verschijnen op zaterdag 19 december 1942, bij de gereformeerde predikant ds. Meulink in Enschede.

Na een gesprek met ds. Meulink, waarbij de Enschedeër Gerrit Breteler ook aanwezig is over de oprichting van een landelijke Onderduikers-organisatie, gaan ze samen naar de woning van de moeder van Breteler, die aan de Haaksbergerstraat in Enschede woont.

Op uitnodiging komen die avond verder in die woning: de aannemer Wieger Mink en de commies Henk Mulder.

De bespreking die dan volgt heeft tot resultaat dat door Gerrit Breteler, Wieger Mink en Henk Mulder de LO afdeling Enschede wordt opgericht. Na een paar weken komt Roelof Blokzijl daar nog bij.

Deze LO'ers van het eerste uur en ook zij die er later bijkwamen behoorden tot de kleine middenstanders, geschoolde arbeiders, kantoorbedienden en lage ambtenaren.

De meesten waren van gereformeerde huize. Samengevat kun je stellen dat de LO'ers in Enschede van eenvoudige komaf waren en overwegend gereformeerd.

De geconstateerde sociale eenzijdigheid hing samen met de manier waarop de groepen ontstonden. Men zocht naar vertrouwde contacten in elke plaats. Die zochten op hun beurt weer vertrouwde medewerkers. Dat waren voor de LO'ers van het eerste uur, enthousiast gemaakt door de gereformeerde predikant ds. Frits Slomp, mensen uit de eigen gereformeerde zuil.

Deze verzuiling had ook haar beperkingen. De contacten met de rooms-katholieken en socialisten verliep op een enkele uitzondering na, stroef. Die hadden ook hun eigen toko, om het modern te zeggen.

De motivatie van de LO'ers uit Enschede om dit gevaarlijke werk te doen en te organiseren ligt net als bij Johannes ter Horst in hun gereformeerde achtergrond. Zij wisten zich daartoe door God geroepen. Ook van hen kan volmondig gezegd worden: zij waren verzetsstrijders bij de gratie Gods.

De tweede vergadering in Hengelo


Breteler, Mink en Mulder worden door Veldhuis en De Boer uitgenodigd voor de oprichtingsvergadering die de volgende dag gehouden zal worden in de consistorie van de Gereformeerde kerk te Hengelo. Dominee Frits Slomp zal daar een nadere uiteenzetting geven.

Aan de daar aanwezigen geeft Slomp te kennen wat zijn bedoeling is:

1e. Onze jongens gaan niet naar de Arbeidsdienst, omdat ze dan een nationaalsocialistische opvoeding zullen krijgen!

2e. Onze jongens en mannen gaan niet naar Duitsland. Want elke man of jongen die naar Duitsland gaat om daar te werken, stelt Hitler in de gelegenheid om een extra soldaat naar het front te sturen!

3e. Onderduiken, Verzetten en Saboteren!

Hierna wordt de organisatie van de districten op poten gezet. Elke plaats zal een afdeling hebben. Uiteindelijk zijn er in Twente 2 districten:

Hengelo: Met de afdelingen Hengelo, Borne, Almelo, Nijverdal, Rijssen, Wierden, Vriezenveen, Daarle, Diepenheim, Goor en Markelo.

Enschede: Met de afdelingen: Enschede, Denekamp, Oldenzaal, Glanerbrug, een gedeelte van Eibergen, Gronau en Haaksbergen.

Gerrit Breteler, die de Enschedese districtsleider wordt, houdt vervolgens iedere dinsdagavond een vergadering.

Blokzijl versterkt vanaf begin 1943 het groepje LO'ers: Breteler, Mink en Mulder.

Ondersteuning groep van dominee Overduin


Begin 1943 is de organisatie van deze onderduikers-hulpverleningsgroep zodanig uitgebreid, dat landelijk geopereerd moet worden. Ondermeer contacten voor distributie van bonkaarten en geld voor betalingen aan mensen die onderduikers onderdak verschaffen. Alles moet georganiseerd worden.

Veel van de joden vinden onderdak in Twente, maar ook met name in Nijmegen, Hilversum, Harderwijk, de Achterhoek en de provincies Friesland en Limburg. Op het laatst zijn er zo'n 700 joden aan de organisatie van de hervormde Enschedese dominee Overduin toevertrouwd (zie ook hoofdstuk 16).

ds Overduin
Dominee Leendert Overduin

Ds. Overduin (1900) studeerde theologie aan de VU te Amsterdam. Kort voor het uitbreken van de oorlog werd hij predikant van de Hersteld Gereformeerde gemeente te Enschede.

Samen met zijn zusters Corrie en Maartje, zijn dochter Sara, de bevolkingsambtenaar Friso van Hoorn en de banketbakker G.Voogd vormde Leendert de groep-Overduin.

Meer dan 700 Joodse vervolgde medeburgers werden door zijn groep verzorgd. Echt uiterst riskant werk. Ook zij werden gedreven door hun geloof in God en hun liefde voor hun (Joodse) naasten.

Ik vind het ontroerend te bedenken wat een man als dominee Overduin met zijn groep heeft gedaan.

Ik vermeld het met ere. Hij heeft, o Godswonder, de oorlog overleefd, dus ook het verraad van Huschka (hoofdstuk 24). En met hem en dankzij hem 500 Joodse landgenoten.

Gedicht over een joods kind


Als ik over het fantastische werk voor de joodse onderduikers van Dries Nijenhuis en van de groep van dominee Overduin lees, moet ik denken aan de slotstrofe van het gedicht Joods kind door Henk Fedder.

Henk Fedder was kassier aan de Rotterdamsche Bank. Hij dichtte al vóór de oorlog, maar pas na de oorlog publiceerde hij enkele bundels.

Dit Jodengedichtje behoort tot de meest geciteerde in de oorlog. Het was opgenomen in Van Vrieslands bloemlezingen-serie van Nederlandse dichters.

Joods kind


Zij wacht hem elke avond aan de trein
Het meisje met d'on-arisch zwarte haren,
met ogen, die verstrakken in een staren
of vader gauw de tunnel door zal zijn.

Forensen schuiflen langs de binnendeur
en schieten van de trap in daag'lijksch jachten,
Het donkre kind kan enkel staan en wachten
vlak bij het hokje van den conducteur.

Dan zwaait een mannenarm een verre groet,
Op 't klein gezicht bloeit plotseling herkennen,
Ze moet op slag hard naar haar vader rennen,
Hij bukt zich laag en zoent haar smalle toet.

Nu gaan ze samen door de late dag,
De man gebogen en van zorg gebeten,
Het ratelstemmetje wil erg graag weten
waarom ze nog niet naar het zwembad mag......

O Heer, ik heb vandaag één bede maar:
Elk Joods gezin wordt haast vaneengereten,
Laat de Gestapo deze twee vergeten,
Laat die in Jezus' naam toch bij elkaar.

Henk Fedder

Financiering van de onderduik


Eenmaal in de maand komt de groep van dominee Overduin bijeen om problemen te bespreken. Dit is meestal op de kamer, die Corrie Overduin heeft gehuurd van de familie Kooymans, aan de Wooldriksweg te Enschede.

Tijdens één van die besprekingen komt Overduin met de LO overeen dat hij binnen Twente de verzorging van Joden zal blijven doen.

Deze bevolkingsgroep vraagt om specialisatie. Het onderduiken moet extra voorzichtig gebeuren. Vaak zijn ze aan hun uiterlijk makkelijk als Joods te herkennen. Bovendien kunnen ze niet gemakkelijk als arbeidskracht worden ingezet.

Om aan geld ten behoeve van de verzorging van deze onderduikers te komen, staan in het begin fabrikanten garant. Onder andere Van Dam, Katz en Jannink.

Later krijgt hij van een landelijke groepering geld. Deze groepering wordt "Vakgroep J" genoemd en maakt deel uit van het "Nationaal Steun Fonds" (deze organisatie was verwant met de LO en heeft aan de basis gestaan van de latere Stichting 40-45), dat zich speciaal met financiële steun aan joodse onderduikers bezig houdt.

Per maand moet gemiddeld 240 gulden per persoon worden betaald en voor kinderen gemiddeld 70 gulden.

Dat is een heleboel geld. Nu telde de Joodse gemeente te Enschede vijf miljonairs en veel leden waren in goeden doen. Dus dat geld was op te brengen.

Friso van Hoorn en Corrie Overduin reizen beurtelings wekelijks naar Amsterdam om daar bij een advocatenkantoor geld op te halen.

De hulp aan Joodse onderduikers in Enschede is niet zonder gevolgen gebleven. Volgens prof. J. Presser zijn er weinig gemeenten zo goed uit de oorlog gekomen als de Enschedese met ongeveer 500 overlevenden (ong. 35%).

Dank zij de inspanningen van de groep Overduin, van Dries Nijenhuis, van de LO-Enschede en van de KP van Johannes ter Horst. En natuurlijk van die velen die onderdak hebben gegeven.

Arrestaties binnen de groep Overduin


Op 3 september 1943 wordt ds. Leendert Overduin voor de tweede keer gearresteerd. Twee dagen later worden ook Maartje Overduin en G. Voogd opgepakt.

Deze laatste twee worden na korte tijd, wegens gebrek aan bewijs, weer vrijgelaten. Ds. Overduin wordt veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf, welke hij moet uitzitten in de gevangenis te Utrecht. Aldaar wordt hij in de bibliotheek te werk gesteld. Tot nog toe wordt er tegen Overduin merkwaardig genoeg zéér coulant opgetreden.

Huisvesting en werk van de onderduikers


De LO-Enschede is er vanaf het begin op uit onderduikers op adressen te plaatsen waar ze tegelijk kunnen werken. Op boerderijen is dat geen probleem. Daar is altijd werk te doen. In de steden ligt dit moeilijker. Vakmensen kunnen wel geplaatst worden, maar wat moet je met kantoormensen en met studenten? Die moeten dan maar proberen hun handen te laten wapperen.

Veel onderduikers vinden werk op een textielfabriek of in een machinefabriek. Er wordt dan een kosthuis voor ze geregeld, van wie niemand weet dat daar een onderduiker woont. Van hun loon betalen de onderduikers dan hun kostgeld.

Contacten LO met de Achterhoek


Er ontstaan goede contacten tussen de LO Twente en de Achterhoek. Onder andere met "Tante Riek" bij wie Ds. Slomp ook een tijd ondergedoken heeft gezeten toen hij ternauwernood aan een arrestatie ontkwam.

Mislukte oprichtingsvergadering verzetsgroep


Omstreeks 25 maart 1944 nodigen de fabrikanten Willen Joan ter Kuile uit Haaksbergen en zijn neef J.P.L. ter Kuile een tiental fabrikanten uit, om elkaar te ontmoeten op een landgoed nabij Usselo in een aldaar op het terrein staande koepel.

Joan maakt aan de fabrikanten duidelijk dat hij wil komen tot een algeheel verzet vanuit de industrie.

Bij de meeste fabrikanten is het na meer dan twee jaar bezetting duidelijk geworden, dat zij met hun van de Duitsers gekregen opdrachten, het land niet dienen. Tevens denken Joan en zijn neef dat het land leiding nodig heeft bij een verzet tegen de Duitsers.

Nadat Joan en zijn neef een uiteenzetting van hun plannen hebben gegeven en de fabrikanten op hun "plichten" jegens Nederland en zijn bevolking gewezen hebben, horen zij dat de fabrikanten het eens zijn met hun stelling, maar dat zij niets voelen om betrokken te worden bij zo'n organisatie. Het is veel te gevaarlijk en hoe denken de andere fabrikanten er in het land over?

Johannes ter Horst bij de LO


Johannes is een man die slecht tegen onrecht kan. Hij kan dan echt door het lint gaan. De hele oorlog is voor hem één en al onrecht en wanneer hij merkt dat medewerkers van zijn onderduikersorganisatie geld vragen voor distributiebonnen, die zij aan onderduikers verstrekken, wil hij daar niets meer mee te maken hebben.

Hij sluit zich daarom in april 1943 aan bij de Landelijke Onderduikers organisatie. Deze organisatie, waarvan Ds. Slomp een van de oprichters is, heeft van het begin het principe gehad, dat de dienstverlening belangeloos moest zijn. Johannes wil deze principes hoog houden.

Hij heeft een groot wantrouwen tegen alles wat "links" is. In die tijd vaak "Communistisch" genoemd. Deze laatste opvatting zal hem later nogal eens in conflict brengen met onder andere deze "linkse" verzetsgroeperingen. Bijvoorbeeld de ergernis over het feit dat Johannes vergaderingen en acties vooraf laat gaan door een gebed.


Arrestatie LO-leiders


Niet alles was even succesvol. De illegaliteit begon last te krijgen van infiltranten die door de Sicherheits Dienst er op uit werden gestuurd om de verzetsbewegingen van binnenuit te ontmantelen.

Bijvoorbeeld de zaak van de SD-infiltrant Johnny de Droog. Hij gaat op vrijdag 16 juni op pad met een pasje, dat een gearresteerde LO'er bij zich had, waarop een uitnodiging staat vermeld om een vergadering in Almelo bij te wonen. Deze vergadering zal worden gehouden ten huize van Gombert.

Bij deze woning aangekomen krijgt Droog, met behulp van dit pasje zonder problemen toegang tot de vergadering als zijnde een lid van de TD-club (Mensen die zich bezig hielden met de mogelijkheid tot het verschaffen van de 2e distributiestamkaart).

Vervolgens worden de leiders van de LO-Almelo en -Enschede, die daar aanwezig zijn, gearresteerd. Dit zijn Herman van Heek, Gerrit Breteler, Jan Buiter en Gombert zelf.

Nieuwe LO-leider Roelof Blokzijl


In Enschede wordt de leiding na deze arrestaties overgenomen door Wieger Mink en Roelof Blokzijl. Op de LO-vergadering die op 22 juni 1944 in Rijssen wordt gehouden, wordt afgesproken om grote vergaderingen zoveel mogelijk te vermijden en worden berichtgevingen en vervoer van documenten zoveel mogelijk door vrouwelijke koeriers verricht.

Tijdens deze vergadering wordt Roelof Blokzijl officieel aangesteld tot leider van de LO-Twente. Vanuit het adres: Ambtstraat 31 te Enschede, leidt hij alle districten in Enschede.

Roelof Blokzijl duikt onder


Roelof Blokzijl wordt gezocht door de SD en duikt onder. Vanuit zijn onderduikadres verricht hij zijn leidinggevende taken. Henk ter Avest van de LO-Almelo, is ook op de vlucht voor de SD en duikt onder bij Blokzijl in Usselo. Van daaruit doet hij ook zijn werkzaamheden.

Er zijn veel mensen van de LO gearresteerd. Iedereen is onzeker over wat de Sicherheitsdienst te horen krijgt. Alles is mogelijk en met overvallen wordt rekening gehouden. De bekende adressen worden ontruimd. Alleen moeten de onderduikers wel verzorgd blijven worden.

LO'er loopt tegen de lamp


Op maandag 24 juli 1944 gaat de administrateur van de LO, Geert Boldewijn, naar Wieger Mink in Enschede.

Boldewijn heeft een kist getekend waar valse documenten gemakkelijker mee vervoerd kunnen worden: zogenaamde Z-Karten. Z=Zurückstelling (uitstel).

Iedere werkgever moet per werkkracht 3 registratiekaarten invullen om uitstel voor Arbeitseinsatz (werk in Duitsland) aan te vragen. Die kaarten zaten aan elkaar. Na invulling moest je ze van elkaar scheuren. Eentje ging naar het Arbeidsbureau, eentje naar een Duitse instelling en eentje naar het bedrijf.

Z-karten werden uitgegeven aan personen, die in Nederland voor het arbeidsproces niet gemist konden worden. Zij die wel gemist konden worden moesten naar Duitsland om daar tewerk gesteld te worden. Via vervalsingen weet de LO duizenden Z-Karten te bemachtigen door een kraak van de KP of via betrouwbare ambtenaren.

Boldewijn wil een speciale kist voor de Z-karten bij de aannemer en tevens LO'er Mink laten vervaardigen.

Daar wordt hij door de Sicherheitsdienst gearresteerd. De SD was op zoek naar Wieger Mink, maar die wist via een achterdeur te ontkomen.

Niets vermoedend komt Boldewijn daar binnen en heeft zestien valse Z-Kaarten bij zich en een vervalst persoonsbewijs.

Na zijn arrestatie wordt het kantoor van Boldewijn door de LO ontruimd. Men vreest het ergste omdat Boldewijn bijna met alles op de hoogte is.

Er worden nog plannen door de KP gemaakt om Boldewijn uit het politiebureau in Hengelo te bevrijden, maar deze plannen worden niet uitgevoerd.

Ondanks zware mishandelingen zwijgt Boldewijn. Hij wordt op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme en daar overlijdt hij op 3 mei 1945. Twee dagen voor de bevrijding van Nederland.

In Enschede wordt een speciaal Z-Kartenbureau ingericht. Gerrit Bolks uit Daarlerveen is de organisator. Hij is in Enschede ondergedoken en ziet in die Z-Kartenactie een nieuwe taak. Hie hij het precies regelde, laat ik hier onbesproken.

Wel vermeld ik dat het Z-Kartenbureau heel effectief werkte. Grote aantallen werknemers werden daardoor vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Nooit lukte het de Duitsers de valse Z-Karten van de echte te onderscheiden. Een knap staaltje werk.

DE OORLOG IN BEELD: HOE ERG HET WAS!

voor joden verboden

De waanzin breekt los


De Amsterdamse kunstenaar L.J. Jordaan schrijft:

"Zachtaan, bijna zoetsappig zette het in met alleen maar wat ontslagen en een aanmeldingsplicht voor registratie - daar zou het wat de Joodse Nederlanders betreft wel bij blijven.

Maar dra brak de storm los, de storm van waanzinnige verboden en brutale roof-bevelen.

Een ontzet en verbijsterd Nederland aanschouwde hoe de Joodse medeburgers werden bijeengedreven in ghetti, hoe zij werden gearresteerd en uitgeplunderd, hoe zij werden weggevoerd naar Polen. Amsterdam-Westerbork-Lublin, Amsterdam-Westerbork-Auschwitz, dat waren de routes naar folterkamer en gaskamer.

Op deze wijze zijn bijna 100.000 Nederlanders, mannen, vrouwen en kinderen, in koelen bloede vermoord."

Wilt u naar het volgende hoofdstuk 5: Klik dan op KP-Twente

Links ivm Johannes ter Horst:

artikel in nd over johannes

interview over johannes


anton reedijk uit rotterdam

reinder spriensma uit ureterp

lammert huizing uit sellingerbeetse

roelof blokzijl (in English)

 

 

 

Bezettingstijd in Amersfoort


inleiding oorlogstijd in a'foort
oorlogstijd in amersfoort dl1
oorlogstijd in amersfoort dl2
oorlogstijd in amersfoort dl3
oorlogstijd in amersfoort dl4
oorlogstijd in amersfoort dl5

oorlogstijd in amersfoort dl6

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere links:

 

De invloed van de bijbel
op Nederlandse cultuur


Gedichten
met kort commentaar



 Enschede in 40-45

beheer